**1.** Als het ontstaan van de na te vorderen douaneschuld aan opzet dan wel grove schuld van de belanghebbende te wijten is, legt de inspecteur een boete op van maximaal 200 procent van de in artikel 2.113, derde lid, van de Wet omschreven grondslag. De boete bedraagt tenminste USD 140 en ten hoogste USD 14000.
**2.** In geval van grove schuld legt de inspecteur een boete op van 50 procent van de wettelijke boetegrondslag. In geval van opzet legt de inspecteur een boete op van 100 procent van deze grondslag.
**3.** De inspecteur legt in geval van opzet waarbij de ernst van de gedraging tot een hogere boete dan die in het tweedee lid aanleiding geeft, een boete op van 200 procent. Hiertoe is in elk geval aanleiding als sprake is van verhoudingsgewijs omvangrijke fraude.
**4.** De inspecteur legt in geval van opzet waarbij sprake is van bedrieglijke handelingen een boete op van driehonderd procent. De boete bedraagt in een dergelijk geval tenminste USD 560.
**5.** Als er op het moment van het begaan van het beboetbare feit nog geen twee jaren zijn verstreken sinds een boete op grond van het derde lid van artikel 2.113 is opgelegd, legt de inspecteur bij grove schuld een boete op van 150 procent en bij opzet een boete van 300 procent. De boete bedraagt in een dergelijk geval tenminste USD 560.
Hoofdstuk III
Artikel 5
Artikel 5
Onderdeel van Besluit bestuurlijke boeten Douane- en Accijnswet BES· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 6 oktober 2016