Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Eisen aan boa's

Onderdeel van Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 11 juli 2017

Gelet op de grote impact die het gebruik van opsporingsbevoegdheid en geweldmiddelen op burgers en ondernemingen kan hebben blijven deze bevoegdheden een privilege dat voorbehouden is aan de overheid. Dit betekent dat boa’s in beginsel in bezoldigde dienst moeten zijn van een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon die voldoet aan de navolgende voorwaarden: De rechtspersoon is een overheidslichaam of is volledig in handen van een overheidslichaam. In het geval van een BV of NV is hiervan sprake indien de aandelen volledig in handen zijn van de overheid (van bijvoorbeeld één of meer gemeenten). In het geval van een stichting of vereniging dienen in de statuten te zijn opgenomen dat het stichtings- of verenigingsbestuur wordt gevormd door afgevaardigden van een overheidslichaam dat de stichting of vereniging heeft opgericht.3Het criterium ‘100% in overheidshanden’ sluit aan bij het beleid zoals geformuleerd in het Veiligheidsprogramma ‘Naar een veiliger samenleving’ en de brief aan de Tweede Kamer d.d. 7 mei 2004, kenmerk 5266617/504. Indien er voor een stichting of vereniging als rechtsvorm wordt gekozen, mogen er geen private partijen in het (dagelijks dan wel stichtings- of verenigings)bestuur van de stichting of vereniging participeren. Tevens dienen de bestuursposities functiegebonden te zijn. Dat wil zeggen dat, indien er bijvoorbeeld een burgemeester in het bestuur zitting heeft, hij die functie ambtshalve bekleedt en niet als privépersoon. De democratische controle op de rechtspersoon dient gewaarborgd te zijn opdat de democratische controle op de handhavings- en opsporingsactiviteiten van de rechtspersoon in volle omvang uitgeoefend kan worden (hiertoe dienen tevens de voorwaarden 1 en 2). De lokale driehoek dient in te stemmen met het onderbrengen van de betreffende boa-taken in de betreffende rechtspersoon. Het is raadzaam om voor de organisatorische inbedding instemming van de lokale driehoek te vragen. Dit sluit aan op het vereiste van inbedding in het lokale veiligheidsbeleid. De boa’s dienen operationeel samen te werken met de politie.4 Vgl. artikel 10 lid 2 Politiewet 2012. De bezoldiging is het salaris of loon dat de boa krijgt van de overheidswerkgever in het kader van een publiekrechtelijke aanstelling (of een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst) en dat voortvloeit uit de inschaling van de boa. Een enkele onkostenvergoeding of andere financiële tegemoetkomingen worden dus niet opgevat als bezoldiging. Op het hiervoor beschreven algemene uitgangspunt dat boa’s in (a) bezoldigde dienst moeten zijn van (b) een overheidsorgaan zijn vier uitzonderingen mogelijk. Functies betreffende de uitoefening van specifieke en beperkte taken waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Hierbij kan gedacht worden aan boa’s die reeds van oudsher taken uitvoeren voor een particuliere werkgever met een publieke taak belast of gevallen waarbij als uitvloeisel van privatiseringsoperaties specifieke opsporingsbevoegdheden zijn overgeheveld van de publieke naar de private sector. In dit geval is het dus mogelijk dat de boa niet in overheidsdienst is, en ook dat de boa geen loon ontvangt van de betrokken particuliere werkgever. Er moet wel sprake zijn van een gezagsverhouding tussen de particuliere werkgever en de boa. Inhuur van een particuliere functionaris voor boa-functies. Een overheidsorgaan of particuliere werkgever kan onder de voor het betreffende domein geldende voorwaarden een particuliere functionaris inzetten voor de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden in de domeinen I Openbare Ruimte, II Milieu, Welzijn en Infrastructuur (uitsluitend voor de handhaving en het toezicht in buitengebieden), III Onderwijs en IV Openbaar Vervoer. Hierbij heeft deze boa een arbeidsovereenkomst met een particuliere werkgever en ontvangt van deze werkgever loon. Voor ingehuurde boa’s geldt dat zij moeten voldoen aan dezelfde eisen en gehouden zijn aan dezelfde voorwaarden zoals deze gelden voor niet-ingehuurde boa’s. Daarnaast worden aan de mogelijkheid van inhuur bijzondere voorwaarden gesteld, deze zijn vermeld bij het betreffende domein. Het lopen van een stage met de status van buitengewoon opsporingsambtenaar. Indien hier geen sprake is van bezoldiging, moet er een gezagsverhouding zijn tussen de partij waarbij stage wordt gelopen en de stagiair. De onbezoldigde vrijwillige ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Politiewet 2012, voor zover deze is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en wordt ingezet voor werkzaamheden binnen de politiefuncties zoals opgenomen in paragraaf 11.2 van deze beleidsregels, ten aanzien van de strafbare feiten zoals opgenomen in domeinlijst VI van de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar. Conform het BBO wordt een titel van opsporingsbevoegdheid verleend dan wel verlengd indien daartoe noodzaak bestaat en de boa betrouwbaar en bekwaam is.5De bevoegdheid tot het opsporen van de in de akte van beëdiging vermelde strafbare feiten is gebonden aan een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar en kan steeds met vijf jaar worden verlengd. In het laatste geval zal door het Ministerie van Justitie en Veiligheid opnieuw worden getoetst op noodzakelijkheid, betrouwbaarheid en bekwaamheid voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden.Er is voldaan aan het noodzaakcriterium wanneer naar het oordeel van de Minister van Justitie en Veiligheid, de opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van de betreffende persoon of de dienst waarbij deze werkzaam is, en een beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet wenselijk is. 6Artikel 4, lid 1 BBO. Over de noodzaak voor toekenning van (extra) opsporingsbevoegdheid wordt door de boa-werkgever advies gevraagd aan de direct toezichthouder en toezichthouder als bedoeld in artikel 1, vierde lid, BBO. Zie ook paragraaf 3.5 Toezicht op boa’s. In Domein I Openbare Ruimte geldt een afwijkende procedure voor zover het gaat om een aanvraag van gemeenten tot uitbreiding van het aantal boa’s. Hier vindt de toetsing op noodzaak plaats in de lokale driehoek.7 Kamerstukken II, 2012/13, 28 684 nr. 387, p. 7. Dit ziet alleen op boa’s in dienst van de gemeente, niet op boa’s in Domein I die in dienst van andere werkgevers zijn. Het noodzaakcriterium wordt ook gehanteerd voor de toekenning van politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en geweldmiddelen. Voor de toekenning van de politiebevoegdheden van artikel 7, eerste, derde en vierde lid, van de Politiewet 2012 de toekenning van vrijheidsbeperkende middelen van artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012, gelden de volgende criteria: de boa moet zelf verdachten kunnen aanhouden en overbrengen naar een plaats van verhoor; er is geen beroep op de politie mogelijk; de bevoegdheid tot het gebruik van geweld staat in verhouding tot de toe te kennen dan wel toegekende opsporingsbevoegdheid; de geweldsbevoegdheid, de veiligheidsfouillering, de vervoersfouillering en de insluitingsfouillering mogen pas worden uitgeoefend indien de boa heeft voldaan aan de bekwaamheidseisen als gesteld in de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon opsporingsambtenaar en ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten (hierna: RTGB). De wijze waarop van de veiligheidsfouillering, de vervoersfouillering en de insluitingsfouillering gebruik dient te worden gemaakt, is nader geregeld in de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna ook: Ai). Voor de toekenning van vrijheidsbeperkende middelen geldt dat men tevens bevoegd moet zijn om geweld te gebruiken (politiebevoegdheid van artikel 7, eerste lid van de Politiewet 2012). Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de Staat. Als de noodzaak aannemelijk is voor een goede uitoefening van de taak van de boa kunnen onder voorwaarden geweldmiddelen worden toegekend aan de boa. Mede vanuit de doelstelling van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) wordt een restrictief beleid gehanteerd. Het toekennen van geweldmiddelen aan een boa geschiedt slechts als de noodzaak hiertoe door de aanvrager aannemelijk is gemaakt en indien de bekwaamheid van de boa in de omgang met het betreffende wapen is aangetoond (zie ook artikel 5, eerste lid, Regeling wapens en munitie, hierna: Rwm). Elke aanvraag tot het toekennen van geweldmiddelen wordt afzonderlijk beoordeeld aan de hand van de onderstaande criteria a) tot en met d). Geweldmiddelen kunnen slechts worden toegekend op basis van de bevoegdheden en taak van de boa zoals vastgelegd in de akte en kunnen slechts worden gebruikt volgens de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Het toekennen van een geweldmiddel gebeurt in het kader van een adequate en veilige taakuitvoering door de boa. Immers, om een taak goed uit te kunnen voeren, dient dit ook veilig te gebeuren. Geweldmiddelen kunnen onder meer worden ingezet voor de bescherming van de boa als hij onvoorzien (en ongewenst) in een situatie met gevaarzetting terechtkomt. De minister betrekt bij zijn beoordeling de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder. Deze adviezen strekken zich uit over de hieronder genoemde criteria. De criteria: De beschikbare geweldmiddelen voor de boa op basis van deze beleidsregels. De maximaal toe te kennen geweldmiddelen zijn per domein bepaald. De geweldmiddelen staan in volgordelijkheid van zwaarte benoemd. De korte wapenstok geldt als een licht geweldmiddel, de pepperspray als middelzwaar geweldmiddel, de uitschuifbare wapenstok als zwaar geweldmiddel en het vuurwapen als een zeer zwaar geweldmiddel. Daarnaast kan onder voorwaarden ook een surveillancehond worden toegekend. Ingehuurde boa’s kunnen voor elk van de domeinen maximaal tot en met de handboeien, en dus geen geweldmiddelen, toegekend krijgen. De bevoegdheden en taakstelling van de boa. De boa is buitengewoon -en daarmee beperkt- opsporingsbevoegd. De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte aangeduide strafbare feiten – vaak door een verwijzing in de akte naar het betreffende Domein in de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar – voor zover wet- en/of regelgeving zich daar niet tegen verzetten. Met het oog op een goede taakuitvoering koppelt de boa-werkgever het pakket aan opsporingsbevoegdheden aan de taakomschrijving van zijn boa's. Bij de beoordeling van een verzoek om de toekenning van geweldmiddelen wordt onder dit criterium derhalve gekeken naar: De feiten waarvoor de boa, op basis van de akte en het domein waarvoor de boa bevoegd is, volgens deze beleidsregels en de betreffende wetgeving mag worden ingezet en daadwerkelijk tot taak en bevoegdheid heeft; Indien de werkgever in mandaat een taak uitvoert of daartoe aangewezen is, dan dient de werkgever de mandaat- of aanwijzingsbesluiten aan te leveren; En dat op basis van de hiervoor genoemde feiten, de boa in de rechtmatige uitoefening van zijn functie een situatie tegen kan komen waarin hij over mag gaan tot het gebruik van het geweldmiddel zoals bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Niet wordt in deze beoordeling meegewogen het aantal processen-verbaal of aanhoudingen welke een boa voor een bepaald feit in het verleden heeft opgemaakt/verricht. De artikelen waarbij de boa mag optreden voor zover het gaat om de eigen veiligheid van de boa (artikelen 177, 179, 180, 181, 182, 284, 285, 300 juncto 304 eerste lid onder 3° Wetboek van Strafrecht) worden niet meegenomen bij de beoordeling van de toekenning voor een geweldmiddel. Aanwezigheid handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst met de politie. Indien de boa handhavend optreedt in de publieke ruimte bestaat er een kans dat de boa te maken krijgt met fysiek geweld. Voor het toekennen van geweldmiddelen is het daarom vereist dat er afspraken zijn gemaakt over samenwerking met de politie en opvolging bij escalatie door de politie via een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst alvorens een geweldmiddel toe te kennen. Hiermee wordt gezorgd dat de taakuitvoering zo veilig mogelijk kan verlopen, zodat deze taakuitvoering ook adequaat kan gebeuren. Het optreden van de boa dient zicht te beperken tot de bevoegdheden en taak van de boa zoals bedoeld onder criterium b). Geen aanwezigheid van contra-indicaties bij het te verwachten gebruik van de geweldmiddelen. Dit criterium ziet op het betrekken van onderstaande contra-indicaties. Als sprake is van contra-indicaties kan de aanvraag worden afgewezen. Dat geldt ook voor de gevallen waarin op basis van criteria a tot en met c wel tot toekenning van het verzochte geweldmiddel zou zijn overgegaan. Op basis van de volgende overwegingen kan de aanvraag alsnog worden afgewezen: Indien van toepassing: Hoe is de boa of de boa-werkgever tot het moment van de aanvraag omgegaan met de eerder (tijdelijk) toegekende politiebevoegdheden of geweldmiddelen? Negatieve ervaringen zijn contra-indicaties bij de beoordeling van de aanvraag. Heeft of hebben de boa(’s) in zijn of hun ambtshandelingen het aangewende geweld zorgvuldig in een proces-verbaal verantwoord tot het moment van de aanvraag, of is daarin voldoende verbetering te zien? Zo niet, dan is dat een contra-indicatie. Heeft of hebben de boa(’s) het aangewende geweld consequent bij de hulpofficier van justitie en de direct toezichthouder gemeld, of is daarin voldoende verbetering te zien? Zo niet, dan is dat een contra-indicatie. In gevallen waarin tijdelijk onderzocht dient te worden of andere of zwaardere bewapening noodzakelijk is voor boa’s, kan door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gehoord de adviezen van de toezichthouder en de direct toezichthouder, voor een bepaalde periode in afwijking van criterium a) een geweldmiddel worden toegekend, mits voldaan wordt aan de criteria b) tot en met d). De toekenning van geweldmiddelen geldt voor maximaal 5 jaar. Dat betekent dat deze ook voor een kortere periode kunnen worden toegekend. Voor tijdelijke toekenning moet net als voor de maximale duur van 5 jaar ook worden voldaan aan de criteria zoals opgenomen in deze paragraaf. Een toekenning van geweldmiddelen in het kader van een pilot, zoals eerder beschreven is maximaal voor de duur van twee jaar. In bijlage A staan de politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen en de geweldmiddelen nader omschreven inclusief aanvullende toekenningseisen per geweldmiddel. Voordat iemand kan worden aangewezen als boa, wordt zijn betrouwbaarheid getoetst. Artikel 17 van het BBO bepaalt dat een persoon als betrouwbaar kan worden aangemerkt indien hij van onbesproken gedrag is. De betrouwbaarheid wordt periodiek getoetst. Dit is in elk geval iedere vijf jaar bij een aanvraag voor verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid. Het is mogelijk om frequenter te toetsen, of om in incidentele gevallen gericht informatie op te vragen. Het oordeel over de betrouwbaarheid wordt zowel bij de initiële aanvraag als bij de verlengingsaanvraag in beginsel gebaseerd op de overgelegde Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) of in gevallen waarin dat vereist is met een VOG-politiegegevens (VOG-P). Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid op basis van de VOG of de VOG-P wordt justitiële en politiële informatie betrokken. Er is een specifiek screeningsprofiel voor (buitengewoon) opsporingsambtenaren aan de hand waarvan de screening plaatsvindt.8De screeningsprofielen voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag van natuurlijke personen en rechtspersonen zijn te vinden op https://www.justis.nl/producten/vog/vog-aanvragen/naar-welke-gegevens-wordt-gekeken/screeningsprofielen.aspx. Ter aanvulling op de VOG kan advies worden gevraagd aan de toezichthouder en/of de direct toezichthouder. Het uiteindelijke oordeel over de betrouwbaarheid van de boa baseert de Minister van Justitie en Veiligheid op de overgelegde VOG of VOG-P en, indien van toepassing, op eventuele aanvullende politiële informatie. Daarnaast is het altijd mogelijk om de betrouwbaarheid tussentijds te toetsen. Mocht bij deze tussentijdse toetsing twijfels bestaan omtrent de betrouwbaarheid of blijken dat de boa niet meer betrouwbaar is, dan kan de bevoegdheid worden opgeschort of ingetrokken. Of de boa nog betrouwbaar is wordt vastgesteld aan de hand van de justitiële documentatie of politiële informatie afkomstig van de toezichthouder en/of de direct toezichthouder. Bij verstrekking van deze informatie kan advies worden gevraagd aan de toezichthouder en/of de direct toezichthouder. Ook feiten die (nog) niet tot strafrechtelijke vervolging hebben geleid worden meegenomen bij het bepalen of de boa nog betrouwbaar kan worden geacht. Indien wordt vastgesteld dat bij de (beoogde) boa de betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet (meer) aanwezig is, worden de betrokkene, zijn werkgever, de toezichthouder en de direct toezichthouder hiervan op de hoogte gesteld. Aan betrokkene wordt geen akte van beëdiging en titel van opsporingsbevoegdheid verleend. In het geval deze al aan hem waren verleend, vervalt de opsporingsbevoegdheid met ingang van de dag na de datum waarop is vastgesteld dat de betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden niet meer aanwezig is. Wordt er overgegaan tot schorsing of intrekking van de opsporingsbevoegdheid, dan dienen de akte en legitimatiebewijzen door de werkgever te worden ingenomen en in bewaring worden gegeven bij de direct toezichthouder. Eventuele geweldmiddelen dienen zonder tussenkomst van anderen bij de direct toezichthouder in bewaring te worden gegeven. Uit artikel 2 BBO volgt dat een boa slechts bevoegd kan zijn als hij bekwaam is. Artikel 16, eerste lid, BBO bepaalt dat iemand beschikt over bekwaamheid als hij de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. Het tweede lid stelt dat ten aanzien van categorieën boa’s aanvullende bekwaamheidseisen kunnen worden gesteld in de vorm van een verzwaard examen of een opleidingsprogramma. Het basisexamen en de permanente her- en bijscholing in domein I, II, III en IV worden geëxamineerd onder auspiciën van de Stichting Exameninstelling Toezicht en Handhaving (Stichting ExTH). Indien men slaagt voor het algemene basisexamen buitengewoon opsporingsambtenaar ontvangt men een ‘getuigschrift boa’, ondertekend door de voorzitter van de Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar namens de Minister van Justitie en Veiligheid. De (beoogd) boa wordt op een aantal elementen getoetst om te bezien of hij over de basiskennis en basisvaardigheden beschikt. Het basisexamen moet in beginsel elke vijf jaar met goed gevolg worden afgelegd, tenzij in het domein sprake is van een systeem van permanente her- en bijscholing. Het examen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van de door de Stichting ExTH ingestelde Examencommissie buitengewoon opsporingsambtenaar op basis van het door de Stichting ExTH opgestelde examenreglement. Dit reglement is gepubliceerd op www.exth.nl. Het getuigschrift boa is vijf jaar geldig. Indien men binnen één jaar na het behalen van het getuigschrift een titel van opsporingsbevoegdheid aanvraagt, dan geldt de aanwijzingsperiode van vijf jaar vanaf de datum die op de akte van beëdiging staat vermeld. Vraagt men later dan één jaar na het behalen van het getuigschrift als boa een titel van opsporingsbevoegdheid aan, dan geldt echter een maximale aanwijzingsperiode tot vijf jaar na de datum die op het getuigschrift staat vermeld. Bij overgang van de boa naar een nieuwe werkgever kan op aanvraag een nieuwe titel van opsporingsbevoegdheid worden verleend waarbij het getuigschrift zijn geldigheid behoudt. Ten aanzien van de duur van de nieuwe titel wordt uitgegaan van de resterende geldigheidsduur van de titel die eerder op basis van het nog geldige getuigschrift is verleend. Daarna moet de boa, voor de verlenging of vernieuwing van de titel van opsporingsbevoegdheid, opnieuw het getuigschrift behaald hebben (of, indien er in het domein sprake is van permanente her- en bijscholing, de bijbehorende certificaten). Indien een boa bij een overgang van werkgever ook overgaat naar een nieuw domein, dan dient de boa te voldoen aan de specifieke opleidingseisen van dit domein. Indien in het domein sprake is van permanente her- en bijscholing geldt ten aanzien van het basisexamen boa het volgende. Het basisexamen geldt als basis in die zin dat hiermee enkel gedurende de geldigheid van het getuigschrift een akte kan worden verkregen. Na afloop van de geldigheid van het getuigschrift boa is het niet mogelijk opnieuw het basisexamen te doen en op basis daarvan een nieuwe akte aan te vragen. Voor verlenging van de akte of voor een nieuwe akte moet dan zijn voldaan aan de eis van permanente her- en bijscholing. Dit geldt ook voor boa’s die worden ingehuurd. Echter, wanneer een akte wordt aangevraagd en de laatste akte is langer dan vijf jaar geleden verlopen, wordt verondersteld dat de basis opnieuw moet worden aangeleerd en is het voor het verkrijgen van een nieuwe akte van opsporingsbevoegdheid noodzakelijk opnieuw het basisexamen boa af te leggen. De boa dient zich bewust te zijn van het type rechtsregels bij de uitvoering en handhaving waarmee hij belast is. Kennis van een aantal begrippen uit het staatsrecht is daartoe vereist. De boa dient te functioneren binnen de voor zijn opsporingstaak vastgestelde wettelijke kaders. Dit vereist deskundigheid betreffende de organisatie van het opsporingsapparaat en meer in het bijzonder betreffende de eigen positie daarbinnen. De wettelijk voorgeschreven samenwerking met de politie verlangt enige kennis van de taken en de organisatie van de politie. De boa moet handelen overeenkomstig de door hem afgelegde eed of belofte, en dient zich bewust te zijn van zijn publieke taak, onder meer door het proces-verbaal volledig en naar waarheid op te maken. De boa dient de hem toegekende bevoegdheden binnen het opsporingsonderzoek juist toe te passen. Kennis van zijn strafvorderlijke bevoegdheden, de grondrechten waarop deze een inbreuk maken en de algemene bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht is daartoe noodzakelijk. Enkele begrippen uit het privaatrecht zijn binnen het kader van het toepassen van opsporingsbevoegdheden eveneens van betekenis. Hetzelfde geldt voor een aantal wettelijke regels die de boa dan wel zijn handelen beschermen. Van de boa wordt verlangd dat hij opgespoorde strafbare feiten kan afhandelen middels het opmaken van een proces-verbaal dat kan leiden tot vervolging en behandeling ter terechtzitting. Kennis van de wettelijke eisen die aan het proces-verbaal worden gesteld, is onontbeerlijk. In dit verband dient een boa een verdachte adequaat te kunnen informeren over de mogelijke gevolgen van een proces-verbaal. Dit vergt voldoende vaardigheid in gespreks- en benaderingstechnieken en vereist enige kennis van de taken en de organisatie van de rechterlijke macht. In bijlage C is het Examenplan Basisbekwaamheid opgenomen. Voor veel boa’s zal verdieping en verbreding van de hierboven geformuleerde eisen noodzakelijk zijn om binnen het eigen werkverband adequaat te kunnen functioneren. De Minister van Justitie en Veiligheid kan op grond van artikel 16, tweede lid, BBO aanvullende bekwaamheidseisen stellen aan boa’s. De boa-werkgever kan tevens aanvullende eisen van vakbekwaamheid stellen aan de eigen boa’s en hen daarop (doen) examineren. Alle boa’s dienen te voldoen aan de basisbekwaamheidseis zoals in de vorige paragraaf omschreven. Het kan evenwel wenselijk zijn dat bepaalde categorieën van boa’s voldoen aan aanvullende bekwaamheidseisen in verband met de complexiteit van de opsporing. Hierbij kan worden gedacht aan boa’s die werk uitvoeren dat specialistische kennis vereist of plaatsvindt in een relatief ingewikkelde handhavingsomgeving. Daarbij wordt de rol van de boa in de strafrechtelijke handhaving steeds groter en daarmee ook de wens om te komen tot een uniforme kwaliteit van de handhaving door de boa’s. Aanvullende bekwaamheidseisen die gesteld kunnen worden aan boa’s zijn onder andere de eis dat een verzwaard boa-examen dient te worden afgelegd, dan wel de eis dat een opleidingsprogramma moet worden doorlopen. Bij het opleidingsprogramma is het mogelijk dat na het behalen van de basis-bekwaamheidseis een boa beëdigd wordt, zodat de boa gedurende het aanvullend opleidingsprogramma reeds gebruik kan maken van opsporingsbevoegdheden. Op die manier wordt duaal leren mogelijk. De Minister van Justitie en Veiligheid bepaalt in welke gevallen een verzwaard examen dan wel een aanvullend opleidingsprogramma nodig is voor het verkrijgen van opsporingsbevoegdheden. Per domein is aangegeven of, en zo ja, welke aanvullende opleidingseisen gesteld zijn. De keuze om te komen tot aanvullende opleidingseisen en de invulling hiervan komt tot stand in nauw overleg met betrokken boa-werkgevers, direct toezichthouders en toezichthouders. Of wordt voldaan aan de aanvullende bekwaamheidseisen wordt bepaald door de examencommissie. Een opleidingscommissie waarin toezichthouders, direct toezichthouders en werkgevers zijn afgevaardigd kan in het leven worden geroepen om namens de toezichthouder toe te zien op de inhoud en kwaliteit van een aanvullende opleiding. Samengevat dient bij een aanvraag voor een titel van opsporingsbevoegdheid, dan wel een verlenging of wijziging hiervan, afhankelijk van welke bekwaamheidseisen gelden voor het betreffende domein, altijd te worden overgelegd: het behaalde getuigschrift boa; het behaalde diploma of certificaat van een aanvullende bekwaamheid of; de vier behaalde certificaten (waarvan niet meer dan twee theorie) Permanente Her- en Bijscholing (PHB) gericht op een domein. De wijze waarop een buitengewoon opsporingsambtenaar binnen de eigen werkorganisatie dient te functioneren alsmede de persoonskenmerken en de beroepshouding en de voor het beroep benodigde kennis waarover hij dient te beschikken, zijn divers. Eén en ander is een verantwoordelijkheid van de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar. Uitgangspunt is dat zowel bij een eerste aanvraag als bij een aanvraag tot verlenging van aanwijzing als boa aan de bekwaamheidseis moet worden voldaan. Ingevolge artikel 16, derde lid, van het BBO kan van de bekwaamheidseis ontheffing worden verleend, indien de bekwaamheid voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheid op andere wijze blijkt. Voor alle ontheffingen geldt, dat boa’s hier niet automatisch ‘recht’ op hebben. De werkgever dient de ontheffing te allen tijde te ondersteunen en aan te vragen. De ontheffingsgronden staan beschreven in bijlage H van deze beleidsregels. Eventuele specifieke ontheffingsgronden voor aanvullende opleidingen staan beschreven in de betreffende domeinen. Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de boa gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het BBO en voor economische delicten (ook) aan de Wet op de economische delicten. Indien hem politiebevoegdheden, vrijheidsbeperkende middelen dan wel geweldmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 2012, de WWM alsmede de Ai. Artikel 4, onder b, Ai bepaalt dat het gebruik van een geweldmiddel of vrijheidsbeperkend middel slechts is toegestaan door een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldmiddel of vrijheidsbeperkend middel is geoefend. Voorts bepaalt artikel 5 Rwm dat de boa slechts met een wapen kan worden uitgerust indien de noodzaak van het dragen van dat wapen aannemelijk wordt gemaakt en de bekwaamheid van de boa met het wapen is aangetoond. Daarbij moet de boa die één of meer politiebevoegdheden heeft ofwel politiebevoegdheden en een vrijheidsbeperkend middel of één of meer geweldmiddelen, voldoen aan de eisen zoals gesteld in de RTGB. In de RTGB worden regels gesteld inzake de toetsing van boa’s met betrekking tot geweldsbeheersing, aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden en de schietvaardigheid.9De regeling is te vinden op http://wetten.overheid.nl/BWBR0021973/2013-01-01. Voor inhoudelijke uitleg van de RTGB en het toetsingsschema wordt verwezen naar de toelichting op deze regeling. Bij de verlenging van de titel van opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6 van het BBO wordt getoetst of de boa tijdig heeft voldaan aan alle tot aan het moment van aanvraag van de verlenging verplichte bekwaamheidseisen. De eisen voor de bekwaamheid zijn vastgelegd in de vorm van eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen. Wijzigingen ten aanzien van de regelgeving, de eindtermen, competentieprofielen of opleidingseisen kunnen worden opgenomen in de examens vanaf 6 maanden na de inwerkingtreding van de betreffende bepalingen of, indien bekendmaking voor inwerkingtreding plaatsvindt, minimaal 6 maanden na bekendmaking van de betreffende bepalingen. De eindtermen behoeven daarvoor niet te worden gewijzigd. Omdat het onder andere mogelijk is om een volledig MBO-diploma te behalen met de opleiding Handhaver Toezicht en Veiligheid aan verschillende Regionale Opleidingscentra (ROC’s), is er de mogelijkheid om stage te lopen als boa. Immers voor het behalen van het diploma is het met goed gevolg afleggen van één of meerdere stages een verplicht onderdeel. De mogelijkheid om als boa stage te lopen geldt voor alle domeinen en kan ook in het kader van een re-integratie traject. Het lopen van een stage met de status van buitengewoon opsporingsambtenaar is aan onderstaande randvoorwaarden gebonden: De stagiair is meerderjarig; Bij de aanvraag dient een (stage) overeenkomst te worden overgelegd waaruit de arbeidsrelatie ten behoeve van de stage tussen de persoon en de ‘werkgever’ (de partij waarbij stage wordt gelopen) blijkt; De stagiair dient te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor het domein of aan te kunnen tonen in het kader hiervan de stage te lopen; De stagiair dient te voldoen aan de betrouwbaarheidseis; De duur van de stage dient minimaal 3 en maximaal 12 maanden te bedragen; De stagiair mag niet ter aanvulling van de reguliere boa capaciteit gebruikt worden; De ‘werkgever’ dient afspraken te maken met de dienst Justis over de inname van de akte en legitimatiebewijzen na afloop van de stage; De ‘werkgever’ dient afspraken te maken met de Politie en het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) over de inzet van en het toezicht op de stagiair; Indien het om een stage in het kader van de MBO opleiding Handhaver Toezicht en Veiligheid gaat, dient de ‘werkgever’ (partij waarbij stage wordt gelopen) door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) als leerbedrijf erkend te zijn, bij de erkenning wordt gelet op vigerende wet- en regelgeving, zoals bijvoorbeeld de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; De ‘werkgever’ heeft erkende praktijkopleiders, onder auspiciën van eX:plain, in dienst; De kwaliteit van de strafrechtelijke handhaving door de boa's dient te worden gemonitord door de toezichthouder en de direct toezichthouder. Dit om twee redenen: om de kwaliteit van de opsporing door de boa's te kunnen monitoren en te waarborgen; om mede daardoor optimaal gebruik te kunnen maken van het grote opsporingspotentieel van de boa's. Daar waar een boa opsporingshandelingen verricht, is hij voor dit optreden verantwoording verschuldigd aan de officier van justitie. Vanwege deze gezagsrelatie is er met betrekking tot de regeling van het toezicht over de boa gekozen een hoofdofficier van justitie als toezichthouder aan te stellen. De mogelijke aanwijzingen van de toezichthouder betreffen het functioneren van de boa in meer algemene zin, onder meer gerelateerd aan de eisen van de wet en het BBO. In de uitoefening van het dagelijks toezicht op de boa met betrekking tot een juiste uitoefening van opsporingsbevoegdheden, een goede samenwerking met de politie, de naleving van de instructie en deels ook het onderricht, is voorzien met de benoeming van een direct toezichthouder: de korpschef van de nationale politie of, in een aantal gevallen, het hoofd van een Rijksdienst met boa’s. Het OM is toezichthouder op de boa's, dat wil zeggen de hoofdofficieren van Justitie van de arrondissementsparketten, het Functioneel Parket (FP), Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) en het Landelijk Parket (LP). Artikel 38 van het BBO stelt dat de toezichthouder er op toe ziet dat de boa zijn taak bij de opsporing naar behoren vervult en de opsporingsbevoegdheden alsmede de politiebevoegdheden op juiste wijze uitoefent. De toezichthouder ziet eveneens toe op een goede invulling van haar adviestaak en de samenwerking met de politie. Bij een lokale, regionale boa-werkgever, zonder landelijk werkterrein, is de hoofdofficier van Justitie van het parket waarbinnen de boa-werkgever is gevestigd de toezichthouder. Bij een boa-werkgever met een bovenregionaal, of landelijk werkterrein kan in overleg met de direct toezichthouder, toezichthouder en eventueel andere betrokken partijen worden besloten dat de hoofdofficier van een aangewezen parket, bijvoorbeeld het landelijk parket, als toezichthouder wordt aangewezen. De korpschef van de politie en sommige hoofden van Rijksdiensten met boa's zijn belast met het direct toezicht op boa's. Het gaat hierbij om taken die losstaan van de ondersteunende en bijstandsverlenende rol van de politie die berust op de Politiewet 2012. De direct toezichthouder voor boa's draagt zorg voor een goede uitvoering van zijn adviestaak en de afspraken ter borging en verbetering van de kwaliteit van de opsporing door de boa's. Het BBO geeft taken en bevoegdheden aan de direct toezichthouder. Deze staan beschreven in bijlage B (Taken direct toezichthouder). De direct toezichthouder en toezichthouder vervullen een belangrijke adviserende en toetsende rol binnen het stelsel. Om deze taak effectief te kunnen vervullen is het noodzakelijk dat zij worden voorzien van de informatie die – op basis van de bepalingen genoemd in het BBO en deze beleidsregels – aan hen dient te worden verstrekt. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om jaarverslagen, maar ook klachten, integriteitsschendingen en geweldsmeldingen die bij de (direct) toezichthouders dienen te worden gemeld. Bij niet-naleving van de bepalingen uit deze beleidsregels dan wel het bepaalde in het BBO stelt de (direct) toezichthouder de boa-werkgever hiervan op de hoogte. Wanneer het niet naleven van deze bepalingen blijft aanhouden, kan onze Minister, op advies van de direct toezichthouder en toezichthouder, één of meer van de bevoegdheden genoemd in deze beleidsregels intrekken dan wel opschorten. De toezichthouder(s) betracht(en) (grote) terughoudendheid bij het uitbrengen van een dergelijk advies. Opschorting is mogelijk voor de duur van drie maanden en kan met maximaal drie maanden worden verlengd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel