Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Het indienen van een verzoek door de belanghebbende om in onderling overleg te treden

Onderdeel van Besluit Onderlinge overlegprocedures· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 23 juni 2020

Aan het indienen van een verzoek om in onderling overleg te treden, is een aantal formele eisen verbonden. Hierop zal in dit hoofdstuk worden ingegaan. Een verzoek op grond van de WFA moet worden gestuurd naar de bevoegde autoriteit van Nederland en (gelijktijdig) naar de bevoegde autoriteit van de andere EU-lidstaat die bij het geschil is betrokken. Voor natuurlijke personen en voor kleine ondernemers9Zie artikel 2.7, eerste lid, WFA. die inwoner zijn van Nederland, volstaat indiening van het verzoek bij de Nederlandse bevoegde autoriteit. De Nederlandse bevoegde autoriteit zal dan de andere bevoegde autoriteit in kennis stellen van de klacht. Een verzoek op grond van een belastingverdrag kan worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de staat waarvan de betrokken belanghebbende inwoner is.10Ingeval sprake is van het EU-arbitrageverdrag kan een verzoek ook worden ingediend in de Staat waarin de vaste inrichting van belanghebbende is gelegen. In een toenemend aantal belastingverdragen is echter opgenomen dat het verzoek ook mag worden ingediend in de andere staat of in beide staten. Als een belanghebbende ervoor kiest om in een dergelijke situatie het verzoek in te dienen in beide staten, wordt verwacht dat hij dit gelijktijdig doet. Een verzoek op grond van het EU-arbitrageverdrag kan worden ingediend in de staat waar de onderneming inwoner is of waarin haar vaste inrichting is gelegen. De onderneming moet tegelijkertijd de bevoegde autoriteit van de andere betrokken staat of staten die bij de zaak betrokken zijn informeren. De bevoegde autoriteit voor Nederland is de Minister van Financiën. Aan de Algemeen directeur Belastingdienst/Grote Ondernemingen is het ondermandaat verleend de taak van bevoegde autoriteit uit te voeren. Een verzoek om in deze zaken in Nederland een onderlinge overlegprocedure te starten dient te worden gestuurd naar: Belastingdienst/Grote Ondernemingen T.a.v. MAP-team Postbus 30206 2500 GE DEN HAAG Postbus e-mail: internationalezaken@minfin.nl onder vermelding van ‘onderlinge overlegprocedure’ Voor alle verzoeken om een onderlinge overlegprocedure geldt dat deze schriftelijk per post of per e-mail moeten worden ingediend. Het verzoek moet de in Annex A of Annex B voorgeschreven informatie bevatten. Annex A bevat een overzicht van de informatie die bij een verzoek op basis van de WFA ten minste moet worden verstrekt. Annex B bevat een overzicht van de informatie die bij een verzoek op basis van een belastingverdrag of EU-arbitrageverdrag minimaal moet worden verstrekt. Die informatie is nodig om te kunnen beoordelen of een verzoek in behandeling kan worden genomen. Als de voorgeschreven informatie niet wordt ingestuurd kan het verzoek worden afgewezen. Een belanghebbende zal echter eerst de gelegenheid krijgen om de ontbrekende informatie aan te vullen. Voor verrekenprijszaken wordt de belanghebbende gevraagd bij het indienen van een verzoek een standaardformulier in te vullen en aan te leveren. Dit standaardformulier kan worden gedownload via de site https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belastingverdragen. Op dit formulier kan een deel van de voorgeschreven informatie worden ingevuld. Het invullen van het formulier alleen is echter niet voldoende om aan de informatie-eisen te voldoen. Ingeval een belanghebbende zich met betrekking tot hetzelfde geschil ook wendt tot de andere betrokken bevoegde autoriteit, is het van belang dat de belanghebbende de betrokken bevoegde autoriteiten inhoudelijk van dezelfde informatie voorziet en dat beide bevoegde autoriteiten tegelijkertijd worden benaderd. Een verzoek dat bij de Nederlandse bevoegde autoriteit wordt ingediend, moet bij de Nederlandse bevoegde autoriteit in de Nederlandse of Engelse taal worden ingediend. De onderlinge overlegprocedure wordt in de regel in de Engelse taal gevoerd. Om administratieve lasten te beperken, kunnen stukken in het Engels worden aangeleverd. De Nederlandse bevoegde autoriteit kan aan de belanghebbende vragen om stukken in het Engels aan te leveren. Voor een verzoek dat op basis van een belastingverdrag of het EU-arbitrageverdrag wordt ingediend, geldt nog dat expliciet dient te worden aangeven als dit een verzoek is dat wordt ingediend ter bescherming van de verdragstermijn (‘Protective MAP’). Dit kan bijvoorbeeld gewenst zijn als een belanghebbende ervoor kiest om eerst nationale rechtsmiddelen (uitputtend) te benutten. Het verzoek wordt pas verder door de Nederlandse bevoegde autoriteit behandeld, als de belanghebbende de Nederlandse bevoegde autoriteit informeert dat het verzoek om onderling overleg wordt doorgezet. De WFA schrijft voor dat een verzoek moet zijn ingediend binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de dag van ontvangst van de eerste kennisgeving van de handeling die tot het geschilpunt aanleiding geeft of zal geven. Ook voor verzoeken op basis van een belastingverdrag geldt doorgaans een termijn van (tenminste) drie jaar na de eerste kennisgeving waaruit blijkt dat sprake is, of zal zijn, van belastingheffing die niet in overeenstemming is met het verdrag. Voor zover de termijn in de regeling voor onderling overleg in een door Nederland gesloten belastingverdrag afwijkt van de hiervoor geschetste driejaarstermijn, wordt deze afwijkende termijn gehanteerd.11De minimumstandaard van BEPS Actie 14 schrijft voor dat de termijn tenminste 3 jaar moet zijn. Nederland heeft zich gecommitteerd aan deze minimumstandaard en streeft na verdragen die een kortere termijn bevatten aan te passen. Van belang is derhalve dat het verdrag dat aan het verzoek ten grondslag ligt, hierop wordt nageslagen. Onder het EU-arbitrageverdrag geldt ook de hiervoor genoemde driejaarstermijn, te rekenen vanaf de eerste kennisgeving van de maatregel waarvan dubbele belasting in de zin van artikel 1 van dit verdrag het gevolg is of kan zijn. Het vaststellen van het moment van eerste kennisgeving is van belang om te kunnen beoordelen of een verzoek tijdig is ingediend. Door Nederland wordt het standpunt ingenomen dat het verzoek in ieder geval tijdig is ingediend als het verzoek is ontvangen binnen drie jaar na de datum van dagtekening van de aanslag die aanleiding geeft tot het geschil, en in verrekenprijszaken de aanslag waarin de correctie is verwerkt, dan wel het moment dat de correctie wordt gemotiveerd bijvoorbeeld door middel van een controlerapport, indien dit later is. Denkbaar is dat een verzoek wordt ingediend voordat een definitieve aanslag is opgelegd, zoals bijvoorbeeld op basis van een rapport naar aanleiding van een boekencontrole of een brief van de Belastingdienst indien hieruit redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat belastingheffing in strijd met het verdrag ontstaat of zal ontstaan of, ingeval van de WFA, een geschilpunt ontstaat of zal ontstaan. Wanneer een verzoek wordt ingediend op een moment waarop nog slechts sprake is van dreigende belastingheffing in strijd met het belastingverdrag, maar deze nog niet is geëffectueerd, zal de Nederlandse bevoegde autoriteit na raadplegen van de belastingplichtige bezien of het verzoek in behandeling kan worden genomen. Om te kunnen beoordelen of zich een situatie voordoet van belastingheffing in strijd met het verdrag, moet voldoende aannemelijk zijn dat belastingheffing in strijd met het belastingverdrag zal ontstaan. Het kan zijn dat de andere bevoegde autoriteit zich in een dergelijk geval op het standpunt stelt dat dit nog niet het geval is en een eventuele gestarte procedure eindigt met de conclusie dat er (nog) geen sprake is van belastingheffing in strijd met het verdrag. Een verzoek om in onderling overleg te treden kan worden ingediend naast de inzet van nationale rechtsmiddelen. Het tegelijk instellen van bezwaar/beroep tegen een belastingaanslag met betrekking tot een geschil waarvoor ook een verzoek om in onderling overleg te treden wordt ingediend, kan gevolgen hebben voor het vervolg van de onderlinge overlegprocedure. Op grond van de WFA vangen de termijnen voor het beslissen over de aanvaarding van het verzoek en het oplossen van de zaak door middel van de procedure voor onderling overleg aan als de nationale procedure is geëindigd door een onherroepelijke uitspraak, als deze is ingetrokken of als deze is geschorst.12Artikel 2.5, zevende lid, WFA. Bij het indienen van zijn verzoek moet de belanghebbende informatie verstrekken over de door hem ingestelde bezwaar/beroepsprocedures die verband houden met het geschilpunt. Als sprake is van een samenloop van het verzoek om onderling overleg met nationale procedures, zal de Nederlandse bevoegde autoriteit van de belanghebbende een verklaring vragen waarin wordt bevestigd dat de behandeling van het bezwaar/beroep is geschorst voor de duur van de onderlinge overlegprocedure en een eventueel daarop volgende arbitrageprocedure, of is geëindigd, waar nodig aangevuld met bewijsmiddelen. Wanneer een verzoek wordt ingediend op basis van een belastingverdrag, terwijl de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat, is de Nederlandse bevoegde autoriteit bereid om de andere bevoegde autoriteit reeds actief te benaderen. Als er bezwaar is aangetekend tegen de aanslag, zal de Nederlandse bevoegde autoriteit, indien van toepassing, de belanghebbende vragen schriftelijk in te stemmen met opschorting van de beslissing op bezwaar voor de duur van de onderlinge overlegprocedure en eventueel de daarop volgende arbitrageprocedure. In de situatie waarin een verzoek om in onderling overleg te treden pas wordt ingediend nadat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan en waarin de belanghebbende beroep bij de rechter heeft aangetekend tegen de beslissing op bezwaar, geldt het volgende. Ook dan kan om redenen van proceseconomie van de belanghebbende worden gevraagd een keuze te maken tussen het voortzetten van of de onderlinge overlegprocedure of de beroepsprocedure, en de andere procedure op te schorten. De bevoegde autoriteit kan de onderlinge overlegprocedure in dit geval aanhouden, totdat een schriftelijk bericht van de belanghebbende is ontvangen dat de gerechtelijke procedure wordt opgeschort of is geëindigd. De Nederlandse bevoegde autoriteit kan besluiten de onderlinge overlegprocedure aan te houden in de situatie waarin de belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichtingen jegens de inspecteur en hem ter zake van de correctie of belastingheffing waar zijn verzoek om onderling overleg betrekking op heeft, een informatiebeschikking is opgelegd, of andere gevallen waarin de belanghebbende verwijtbaar heeft gehandeld. Dit geldt zowel wanneer het verzoek is ingediend naast de bezwaarprocedure als wanneer het is ingediend naast de gerechtelijke procedure. Wanneer een onderlinge overlegprocedure wordt gevoerd op basis van het EU-arbitrageverdrag, geldt voor de samenloop met de bezwaarprocedure hetzelfde als voor procedures die op basis van een belastingverdrag worden gevoerd. Voor de samenloop met gerechtelijke procedures geldt echter het volgende. Het EU-arbitrageverdrag schrijft voor dat als de zaak tevens onder de rechter is, de termijn waarna arbitrage mogelijk is aanvangt als de beslissing van hoogste gerechtelijke instantie definitief is geworden. Wanneer een verzoek om een onderlinge overlegprocedure te starten op grond van het EU-arbitrageverdrag pas wordt ingediend als de zaak tevens is voorgelegd aan een gerechtelijke instantie zal, waar nodig in overleg met de belanghebbende, dit verzoek worden aangemerkt als een verzoek ter bescherming van de verdragstermijn (zie hiervoor onderdeel 3.3). De Nederlandse bevoegde autoriteit zal net als bij de onderlinge overlegprocedure op grond van een belastingverdrag, de onderlinge overlegprocedure aanhouden, totdat een schriftelijk bericht van de belanghebbende is ontvangen dat de gerechtelijke procedure wordt opgeschort of is geëindigd. Wanneer een verzoek om een onderlinge overlegprocedure te starten wordt ingediend door een belanghebbende die in het buitenland nationale rechtsmiddelen heeft aangewend, geldt het volgende. Indien een verzoek op grond van de WFA is ingediend, geldt dat de termijnen voor het beslissen over de aanvaarding van het verzoek en de termijnen om de zaak op te lossen, pas aanvangen als die nationale procedures zijn geëindigd door een onherroepelijke uitspraak, of worden ingetrokken of opgeschort. Wanneer een verzoek op basis van een belastingverdrag is ingediend, zal de Nederlandse bevoegde autoriteit in overleg treden met de andere bevoegde autoriteit teneinde het vervolg van de onderlinge overlegprocedure te bepalen. Voor verzoeken die op grond van het EU-arbitrageverdrag worden ingediend, geldt hetzelfde als onder de belastingverdragen. In aanvulling hierop geldt echter dat als een zaak in het buitenland is voorgelegd aan een gerechtelijke instantie, de termijn waarna arbitrage mogelijk is pas aanvangt als door de beslissing van de hoogste gerechtelijke instantie definitief is geworden. Belastingverdragen kunnen een bepaling bevatten die inhoudt dat de woonplaats van niet-natuurlijke personen voor de toepassing van het belastingverdrag wordt bepaald in onderling overleg. Het Besluit MAP-tiebreaker13Besluit van 9 december 2019, nr. 2019-25404, Stcrt.2019, 66227. bevat procedurele regels voor deze onderlinge overlegprocedure en tevens is daarin uitgelegd hoe moet worden omgegaan met reeds bestaande situaties. Voor nadere informatie verwijs ik naar dit besluit. In Nederland is de algemeen directeur Belastingdienst/Grote ondernemingen gemandateerd om verzoeken op grond van een MAP-tiebreaker te behandelen. Een verzoek daartoe kan worden gericht aan: Belastingdienst / Grote ondernemingen T.a.v. MAP-team Postbus 30206 2500 GE DEN HAAG Een belanghebbende kan gedurende de onderlinge overlegprocedure zijn verzoek intrekken door middel van een schriftelijk bericht aan de Nederlandse bevoegde autoriteit Als de belanghebbende het verzoek in beide staten heeft ingediend, moet het bericht van intrekking van het verzoek ook naar beide staten worden gestuurd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel