Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Raamwerk eindtermen

Onderdeel van Besluit vaststellen (gewijzigde) Eindtermen accountantsopleidingen 2016· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 september 2021

Een student/trainee ontwikkelt zich tot startbekwame accountant en vervolgens tot ervaren beroepsbeoefenaar en eventueel tot specialist op een deelterrein. De juist afgestudeerde accountant kan zich in het register van de NBA laten inschrijven en is gekwalificeerd om bepaalde, aan accountants voorbehouden, werkzaamheden uit te voeren. De startbekwame accountant heeft de (vak)bekwaamheid om accountantswerkzaamheden te verrichten, maar is nog niet uitgeleerd. De primaire opleiding en vorming zijn onderdeel van een opleidingscontinuüm, waarin verschillende fasen worden onderscheiden. De ontwikkeling van een accountant in termen van competenties (kennis/kunde, vaardigheden en houding/gedrag) en de mate van begeleiding/supervisie kan als volgt worden weergegeven. Kennis/kunde Vaardigheden Houding/gedrag Complexiteit opdrachten Begeleiding/ supervisie Student/trainee Hofdlijnen Basisvaardigheden Basis professioneel gedrag Lage complexiteit Uitvoeren opdrachten onder begeleiding van beroepsbeoefenaar Startbekwame accountant Integrale basisbekwaamheid gedemonstreerd in de praktijk Professioneel gedrag conform gedrags- en beroepsregels Hogere complexiteit Zelfstandig handelen onder supervisie Ervaren beroeps-beoefenaar Aantal jaren praktijkervaring, onderhoud basisbekwaamheid en eventuele verdere scholing (verdieping) Hoogste complexiteit Zelfstandig handelen zonder supervisie met collegiale afstemming Specialist Verdere scholing in gekozen specialisme en onderhoud basisbekwaamheid Specialistische, complexe opdrachten Bij afronding van de accountantsopleiding moet de accountant kunnen functioneren op het niveau van startbekwame accountant. Een startbekwame accountant dient: zelfstandig richting en uitvoering te kunnen geven aan assurance-opdrachten, aan assurance verwante opdrachten en overige opdrachten (incl. adviesopdrachten), met een redelijke mate van complexiteit; op deelgebieden van het vakgebied tot zelfstandige oordeelsvorming te komen bij opdrachten met een relatief hoge mate van complexiteit; invulling te geven aan de adviesfunctie van de accountant door het signaleren van risico’s, bijvoorbeeld met betrekking tot de kwaliteit van de interne beheersing en de continuïteit van een organisatie; zelfstandig bevindingen te rapporteren en te communiceren; zich rekenschap te geven van de maatschappelijke relevantie van zijn optreden; de grenzen van zijn eigen deskundigheid en vaardigheden te onderkennen; te handelen in overeenstemming met de fundamentele beginselen voor de accountant, zoals opgenomen in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants. Zoals te verwachten vertoont de definitie van startbekwame accountant overlap met de kerncompetenties uit het beroepsprofiel. De uiteenlopende rollen en functies die accountants moeten kunnen vervullen in de professionele omgeving waarin zij functioneren en het kunnen realiseren van de eindtermen, vergen een hierop aansluitend opleidingsniveau. Kortweg kan dit worden samengevat als post-hbo of postacademisch. Het door de startbekwame accountant te bereiken niveau is verankerd in de Verordening op de beroepsprofielen van de NBA en is mede afhankelijk van de gekozen opleidingsoriëntatie. Studenten volgen het theoretische gedeelte van de opleiding voor een groot deel binnen het bachelor-master-stelsel voor het hoger onderwijs. Een accountantsopleiding omvat na de bachelor- en/of de masterfase tevens een post-initieel gedeelte en een driejarige praktijkopleiding. In het opleidingsmodel is het in beginsel mogelijk zowel de opleiding met de oriëntatie ‘Assurance’ als de opleiding met de oriëntatie ‘Accountancy-MKB’ via een hbo- of via een universitaire route te doorlopen. Een theoretische opleiding tot Accountant-Administratieconsulent wordt afgerond aan een hogeschool of vergelijkbare onderwijsinstelling die hoger beroepsonderwijs verzorgt en die beschikt over een aanwijzing van CEA. Een theoretische opleiding tot Registeraccountant wordt afgerond aan een universiteit of vergelijkbare onderwijsinstelling die wetenschappelijk onderwijs verzorgt en die beschikt over een aanwijzing van CEA. Voor een opleiding met de oriëntatie ‘Assurance’ geldt bovendien dat hiervoor een mastergraad moet zijn behaald. De opleiding tot Registeraccountant met oriëntatie ‘Assurance’ vereist een geaccrediteerde masteropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs. De opleiding tot Accountant-Administratieconsulent met oriëntatie ‘Assurance’ vereist eveneens een geaccrediteerde masteropleiding, dit kan een hbo- of een wo-masterprogramma zijn. Een opleiding tot Accountant-Administratieconsulent met oriëntatie ‘Accountancy-MKB’, vereist (= uitstroomvereiste) minimaal een geaccrediteerde bacheloropleiding binnen het hoger beroepsonderwijs of het wetenschappelijk onderwijs. Een opleiding tot Registeraccountant met oriëntatie ‘Accountancy-MKB’ vereist (= uitstroomvereiste) ten slotte minimaal een geaccrediteerde bacheloropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs. Naast een aantal generieke eindtermen, zijn er eindtermen naar vakgebied. Een dergelijke weergave past in de traditie van de accountantsopleidingen en sluit aan op het wettelijk kader. Het opleidingsmodel voorziet ook in een drietal ‘streams’: maatschappelijke rol accountant, IT en corporate governance. Hiervoor zijn geen afzonderlijke eindtermen geformuleerd. Eindtermen die zien op die betreffende streams zijn geïntegreerd in de vakgebieden, zodat deze eindtermen niet geïsoleerd in de opleidingen aan de orde komen. In de eindtermen worden de volgende vakgebieden onderscheiden: Kernvakgebieden: Audit & Assurance (A&A) Financial Accounting (FA) Internal Control & Accounting Information Systems (ICAIS) Bedrijfseconomische vakgebieden: Financiering (FIN) Management Accounting & Control (MAC) Strategie, Leiderschap en Organisatie (SLO) Overige vakgebieden: Boekhouden (BKH) Economie (EC) Fiscaliteit (FISC) Gedrag, Ethiek en Besluitvorming (GEB) Recht (RE) Statistiek (STA) De eindtermen moeten borgen dat de juist afgestudeerde accountant het vereiste niveau heeft bereikt. Daartoe zijn er beheersingsniveaus gedefinieerd die zijn afgeleid van het Nederlandse Kwalificatieraamwerk NLQF3NLQF is een raamwerk voor inschaling van alle mogelijke kwalificaties, dat gebaseerd is op het European Qualifications Framework (EQF) zoals dat in EU-verband is vastgesteld. Het NLQF geeft beschrijvingen van de niveaus van kennis, vaardigheden en zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. NLQF maakt hiermee kwalificaties met elkaar vergelijkbaar. Een NLQF inschaling vertelt niet zozeer iets over de geleverde studie-inspanning of studie-inhoud, maar over wat iemand kan en weet als een bepaald leerproces is afgerond.. Er zijn drie beheersingsniveaus A, B en C, waarbij C het hoogste niveau representeert. Niveau Context Kennis Vaardigheden Verantwoordelijkheid en zelfstandigheid A Onbekende, wisselende leef- en werkomgeving (eventueel ook internationaal) Bezit ruime feiten- en theoretische kennis binnen een werk-/studiegebied en bewustzijn van de grenzen van die kennis. • Reproduceren en begrijpen van onderliggende principes en theorieën van de voor het beroep relevante vakgebieden. • Signaleren van beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en in het kennisdomein en hierop actie ondernemen. • Analyseren van complexe (beroeps)taken en deze onder begeleiding kunnen uitvoeren d.m.v. het toepassen van professionele vaardigheden. • Onderkennen van het belang van professionele normen en waarden, ethiek en professioneel kritische houding bij het uitvoeren van (beroeps)taken. • Verschaffen van informatie en toelichten van ideeën op een duidelijke, begrijpelijke manier, zowel mondeling als schriftelijk, naar gelijken, leidinggevenden en cliënten. • Samenwerken met gelijken, leidinggevenden en cliënten. • Verantwoordelijkheid dragen voor resultaten van eigen activiteiten, werk en studie. • Gedeelde verantwoordelijkheid dragen, en tonen, voor het resultaat van activiteiten en werk van anderen en voor het aansturen van processen. B Onbekende, wisselende leef- en werkomgeving met een redelijke mate van onzekerheid, en complexiteit ook internationaal. Bezit gevorderde kennis van een werk-/studiegebied, die een kritisch inzicht in theorieën en beginselen impliceert. • Zelfstandig toepassen, vergelijken en analyseren van onderliggende principes en theorieën van de voor het beroep relevante vakgebieden. • Opstellen en verdiepen van argumentaties, evalueren en combineren van kennis en inzichten van de voor het beroep relevante vakgebieden. • Signaleren van beperkingen van bestaande kennis in de beroepspraktijk en relevante vakgebieden en hierop actie ondernemen. • Analyseren van complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en deze onder beperkte supervisie uitvoeren d.m.v. het combineren van vaktechnische bekwaamheid en professionele vaardigheden. • Toepassen van professionele normen en waarden, ethiek en professioneel kritische houding bij het uitvoeren van (beroeps)taken. • Presenteren van informatie en toelichten van ideeën op een duidelijke manier, zowel mondeling als schriftelijk aan vak-/beroepsgenoten en stakeholders. • Samenwerken met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten. • Verantwoordelijkheid dragen voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. • Gedeelde verantwoordelijkheid dragen, en tonen, voor het aansturen van processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. C Onbekende, wisselende leef- en werkomgeving met een hoge mate van onzekerheid en complexiteit, ook internationaal. Bezit gespecialiseerde kennis, die ten dele zeer geavanceerd is, als basis voor originele ideeën en/ of onderzoek. Kritisch bewustzijn van kernproblemen op het vakgebied en op het raakvlak tussen verschillende vakgebieden. • Zelfstandig analyseren en integreren van onderliggende principes en theorieën van de voor het beroep relevante vakgebieden. • Verworven kennis en vaardigheden kunnen toepassen op een hoger abstractieniveau, op basis van conceptueel denken en het opstellen en verdiepen van argumentaties. • Analyseren van complexe beroeps- en wetenschappelijke taken en deze zelfstandig uitvoeren d.m.v. het integreren van vaktechnische bekwaamheid en professionele vaardigheden bij het managen van opdrachten en projecten. • Anticiperen op (on)verwachte ontwikkelingen en aandragen van oplossingen voor complexe problemen en praktijkvraagstukken en het daartoe zo nodig samenwerken met deskundigen/specialisten. • Beslissingen nemen in overeenstemming met professionele en ethische normen en waarden en op basis van een professioneel kritische houding. • Presenteren en toelichten van relevante informatie op een overtuigende wijze, zowel mondeling als schriftelijk aan een brede groep van stakeholders. • Samenwerken met gelijken, specialisten en niet-specialisten, leidinggevenden en cliënten. • Verantwoordelijkheid dragen voor resultaten van eigen werk en studie en het resultaat van het werk van anderen. • Verantwoordelijkheid dragen, en tonen, voor het aansturen van complexe processen en de professionele ontwikkeling van personen en groepen. Bij het formuleren van eindtermen is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de volgende “typerende” werkwoorden die refereren aan de drie onderscheiden beheersingsniveaus. Niveau In eindtermen gehanteerde werkwoorden A Formuleren, identificeren, onderkennen, schetsen, signaleren, typeren, verwoorden, weergeven. B Adviseren, afwegen, analyseren, beargumenteren, (be)discussiëren, benoemen, beschrijven, formuleren voorstel, ontwerpen, rapporteren, samenvatten, uitleggen. C Adviseren, beoordelen, doorgronden, evalueren, inschatten, kritisch becommentariëren, reflecteren, toepassen, verdedigen, verklaren, vertalen, toetsen, verantwoording afleggen. In hoofdstuk 4 zijn zowel de generieke eindtermen beschreven als de eindtermen per oriëntatie. De eindtermen zijn tevens beschikbaar in een afzonderlijke Excel-toepassing, zodat opleiders eenvoudig bewerkingen en sorteringen kunnen maken. Uitsluitend de eindtermen zoals die zijn gepubliceerd in de Staatscourant, gelden als eindtermen in de zin van de Wab. De eindtermen in dit rapport worden als volgt gepresenteerd. Nr. Eindterm Theorie Praktijk De startbekwame accountant is in staat om CBoK Oriëntatie CBoP Oriëntatie De eindtermen zien op de startbekwame accountant. Iedere eindterm begint dan ook met de aanhef: “De startbekwame accountant is in staat om...” Van alle eindtermen is aangegeven of en op welk niveau deze in het theorie- of praktijkdeel van de opleiding of in beide delen aan de orde moeten komen. Voor bepaalde eindtermen is door een letteraanduiding expliciet onderscheid gemaakt in de formulering van de betreffende eindterm voor het theoriedeel (a) respectievelijk het praktijkdeel (b) van de opleiding. Als een eindterm betrekking heeft op de theorie dan dient die eindterm in het curriculum van de theoretische opleiding aan bod te komen. Van alle eindtermen in de theorieopleiding dient vastgesteld te worden, door middel van beoordeling en/of toetsing, dat een student aan die eindterm heeft voldaan. Voor de meeste eindtermen van de theorieopleiding geldt dat deze ook in de (beroeps)praktijk aan bod kunnen komen, maar niet al deze eindtermen hoeven in de praktijkopleiding getoetst te worden. Voor die eindtermen die van toepassing zijn voor de praktijkopleiding, dient wel vastgesteld te worden dat door studenten in de praktijk op het vereiste niveau aan deze eindtermen wordt voldaan. Voor een aantal eindtermen van de praktijkopleiding bestaat een aantal keuzemogelijkheden voor te selecteren eindtermen. Deze keuzemogelijkheden bestaan vanwege de grote diversiteit in de werkomgeving van trainees, waardoor niet elke trainee in staat is om alle gedefinieerde eindtermen van bepaalde vakgebieden te realiseren. Voor nadere uitleg wordt verwezen naar § 4.4 van dit rapport. Conform het opleidingsmodel is ook aangegeven of de eindtermen behoren tot de ‘Common body of knowledge’ (CBoK) respectievelijk ‘Common body of practice’ (CBoP) en/of tot één of beide oriëntaties. Indien een eindterm tot de ‘Common body’ van de accountantsopleiding behoort dan is dit aangegeven door het vermelden van het gewenste beheersingsniveau (A, B of C) in die kolom. Op dezelfde wijze is aangegeven of en zo ja, op welk niveau een eindterm tot één of beide oriëntaties behoort. Indien het beheersingsniveau van een eindterm tussen haakjes is geplaatst, bijvoorbeeld (C) dan is de toepassing van die eindterm facultatief. De ‘Common body’ vormt het gemeenschappelijke fundament van de accountantsopleidingen en omvat die eindtermen die relevant zijn voor alle accountants, ongeacht de opleidingsoriëntatie die wordt gekozen. Het concept van een voor de accountantsopleidingen kenmerkende gemeenschappelijke basis, vormt het uitgangspunt van het vigerende opleidingsmodel. Voor de eindtermen in de ‘Common body’ geldt dat deze dienstbaar zijn aan zowel de accountant die assurance-opdrachten uitvoert als de accountant die non-assurance-opdrachten uitvoert. Zo is bijvoorbeeld eindterm ICAIS-4 (beoordeling bestuurlijke informatieverzorging en administratieve processen) zowel relevant voor het kunnen inschatten van interne beheersingsrisico’s ten behoeve van het opstellen van een controleplan, als voor het kunnen adviseren over de inrichting van een adequaat systeem van interne beheersing. Het is dus mogelijk dat: een eindterm alleen in de theorieopleiding of in de praktijkopleiding of zowel in de theorie- als praktijkopleiding van toepassing is; een eindterm alleen van toepassing is in de ‘Common body’, of alleen in een of beide oriëntaties of – op een verschillend niveau – zowel van toepassing is in de ‘Common body’ als een of beide oriëntaties; een eindterm in beide oriëntaties op een verschillend niveau moet worden beheerst;4Het gebruik van de term ‘respectievelijk’ in de beschrijving van een eindterm duidt op het verschil in beheersingsniveau tussen CBoK en/of oriëntatie(s). een eindterm facultatief is. De onderverdeling naar ‘Common body’ en oriëntaties ziet nadrukkelijk niet op het onderscheid naar opleidingsfase (bachelor, master of postinitiële opleiding). Het is aan de opleiders zelf om te bepalen waar in de opleiding de eindtermen behandeld zullen worden. Voor alle eindtermen geldt dat deze beschrijven wat een startbekwame accountant moet weten en kunnen (outputgericht). Ze zijn dan ook op een hoog abstractieniveau gedefinieerd, zodat opleiders de ruimte hebben om, binnen de opleidingsoriëntatie, een eigen profilering aan te brengen. Dat geldt ook voor de eindtermen die behoren tot de ‘Common body’ van de opleiding. Deze benadering betekent ook dat bij opleidingen de verantwoordelijkheid berust om eindtermen op een adequate wijze in het curriculum vorm te geven. Voor de drie kernvakken zijn eindtermen geformuleerd die zien op de conceptuele vorming van accountants waarbij de nadruk ligt op kennis van en inzicht in theorieën en conceptuele modellen. Hierbij wordt veelvuldig voortgebouwd op kennis en vaardigheden die zijn verkregen in zowel de basis- als bedrijfseconomische vakgebieden. Zoals in §2.4.2 aangegeven, lopen een drietal ‘streams’ (maatschappelijke rol accountant, IT en corporate governance), als een rode draad door de opleiding heen en zijn deze niet beperkt tot een vakgebied. Eindtermen die zien op deze ‘streams’ zijn bij de relevante vakgebieden opgenomen. In dit rapport is voor de overzichtelijkheid niet aangegeven welke eindtermen specifiek betrekking hebben op de ‘streams’. In het Exceloverzicht van de eindtermen is dit wel aangegeven en kan via een filter een overzicht worden gegenereerd van alle eindtermen die zien op de betreffende ‘streams’. De eindtermen kennen geen (onderlinge) rangorde. De plaats van een eindterm zegt derhalve niets over het (relatieve) belang van de eindterm voor de opleiding. Het belang van een eindterm voor de opleiding is slechts af te leiden uit de formulering en het bijbehorende beheersingsniveau. Eindtermen verschillen onderling van karakter waardoor het bereiken van de ene eindterm meer studie-inspanning en/of werkervaring vraagt dan de andere, ook al is het beoogde beheersingsniveau hetzelfde. Zo is eindterm A&A-11.3 die ziet op de invloed van IT op de uitvoering van een jaarrekeningcontrole een veelomvattende eindterm, waarvoor de IT-kennis uit het vakgebied ICAIS uiterst relevant is. Als een eindterm bij een bepaald vakgebied is opgenomen, betekent dit niet automatisch dat die eindterm in het curriculum bij dat vakgebied moet worden ondergebracht. Opleiders hebben dus de nodige vrijheid bij het inrichten van het curriculum, mits alle eindtermen op het beschreven niveau worden afgedekt.

Rechtspraak bij dit artikel