Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Financiële aspecten scholing

Onderdeel van Circulaire scholing tijdens uitkering ex Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 3 februari 2021

De kosten voor het volgen van scholing worden gefactureerd náást de vaste vergoeding voor het traject van planmatige ondersteuning en begeleiding. Dit volgt uit artikel 132a, vierde lid, onder b, van de Appa juncto artikel 132b. Uit het eerstgenoemde artikel volgt dat er onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds begeleiding en anderzijds andere in het plan opgenomen activiteiten. Artikel 132b ziet specifiek op de begeleiding. Deze artikelen zijn uitgewerkt in het Sollicitatiebesluit. Artikel 2.8 van het Sollicitatiebesluit, in het hoofdstuk ‘Regels betreffende activiteiten om passende arbeid te vinden’, ziet op de scholingskosten en de overige activiteiten die kunnen bijdragen aan het verkrijgen van passende arbeid. In hoofdstuk 3 wordt in artikel 3.1, de planmatige begeleiding en ondersteuning beschreven. Deze artikelen/hoofdstukken kennen elk hun eigen financieringsregime. Er wordt weleens gesteld dat het totale bedrag aan planmatige begeleiding en ondersteuning ten hoogste 20% van de laatstelijk als ambtsdrager per jaar genoten bezoldiging mag omvatten, en dat in dit maximum ook de scholingskosten zitten. Dit is onjuist en onvolledig. In de Appa11Zie artikel 7b voor de ministers en staatssecretarissen, artikel 52b voor de leden van de Tweede Kamer en in artikel 132b voor de decentrale politieke ambtsdragers. wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds verplichte planmatige begeleiding en ondersteuning en anderzijds vrijwillige planmatige begeleiding en ondersteuning. In het eerste geval worden de kosten volledig vergoed, in het de tweede geval wordt een tegemoetkoming verstrekt tot ten hoogste die 20% van de bezoldiging. Dit onderscheid tussen verplichte en vrijwillige planmatige begeleiding wordt in de praktijk niet gemaakt. Dit onderscheid is echter voor de scholingskosten niet relevant. Zoals gezegd, is in artikel 2.8 van het Sollicitatiebesluit voor de scholingskosten en de overige activiteiten die kunnen bijdragen aan het verkrijgen van passende arbeid, een ander financieringsregime opgenomen dan voor de in artikel 3.1 beschreven planmatige begeleiding en ondersteuning. Die 20% ziet dus niet op de scholingskosten. Er is geen expliciet wettelijk minimum- of maximumbedrag per uitkeringsgerechtigde voor scholingsactiviteiten. Er is evenmin sprake van een scholingsbudget. Elk re-integratieplan is op de persoon toegesneden. Dat wil niet zeggen dat het overheidsorgaan maar alles moet betalen wat de uitkeringsgerechtigde wil. Uitgangspunt blijft dat de nadruk in het re-integratieplan ligt op het individu van de uitkeringsgerechtigde en diens afstand tot de arbeidsmarkt, en dat dit dus maatwerk vereist. Voor de een kan dat dus leiden tot een hoger bedrag aan scholing dan voor de ander. Maar hun situaties en achtergronden zijn niet gelijk. Wat iemand in zijn of haar politieke functie heeft verdiend, is in dit verband niet heel relevant. Wellicht in de beoordeling of een bepaalde prijs/kwaliteitsverhouding nog redelijk is. Het in deze circulaire gegeven toetsingskader en de verschillende in §11 genoemde voorbeelden beogen alle betrokken partijen voldoende handvatten te bieden voor een deugdelijk gemotiveerde scholingsaanvraag waarbij de belangen van alle betrokken partijen in balans zijn. Een evenwichtige beoordeling wordt bevorderd door de volgende elementen. De scholingskosten die in aanmerking komen voor vergoeding door het overheidsorgaan, zijn de kosten die voortvloeien uit de in het re-integratieplan opgenomen activiteiten. Deze kosten moeten door de uitvoeringsorganisatie zijn vastgesteld als noodzakelijk voor de planmatige begeleiding en ondersteuning in het individuele geval. Ook moeten de scholingskosten redelijk zijn ten opzichte van de (resterende) duur en de hoogte van de uitkering. Verder moeten die kosten in redelijke verhouding staan tot de door het bedrijf geleverde prestaties. Verder moet betrokkene bij indiening van een scholingsverzoek een verklaring tekenen dat hij of zij de scholingskosten terugbetaalt als de scholing niet wordt afgerond. Deze verklaring bevordert dat betrokkene gemotiveerd is voor zijn of haar scholingskeuze en dat deelname niet vrijblijvend is. Uitgangspunt is dat betrokkene na afronding van de scholing een certificaat van succesvolle deelname overhandigt aan de uitvoeringsorganisatie. De aan de scholing verbonden reis- en verblijfkosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het gaat immers om scholing die noodzakelijk wordt geacht voor betrokkene. Ook tijdens het ambt is het niet gebruikelijk dat deze bijkomende kosten voor rekening komen van betrokkene. Dit betreft de aan de scholing verbonden reis- en verblijfkosten in zowel binnen- als buitenland. De uitvoeringsorganisatie voert een marginale toets uit of deze kosten qua prijs/kwaliteit in verhouding en redelijk zijn. Deze kosten worden ook in de beoordeling van de scholingsaanvraag betrokken. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel