Indien de aanvrager in het kader van een aanvraag weigert gegevens te verstrekken over de feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het gevaar als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, kan de minister de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling laten. Indien de minister de intrekking van een reeds verleende vergunning onderzoekt en de houder weigert de gevraagde gegevens te verstrekken, dan wordt deze weigering aangemerkt als een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob. Hetzelfde geldt indien de aanvrager of houder weigert te voldoen aan een informatieverzoek van het Bureau.
Na afronding van het eigen Bibob-onderzoek of indien een advies bij het Bureau is gevraagd en ontvangen, kan worden geconcludeerd of sprake is van een weigerings- of intrekkingsgrond (zie over de mogelijke weigerings- en intrekkingsgronden hoofdstuk 1, paragraaf 2) of van een aanleiding om aan de vergunning voorschriften te verbinden.
Indien het advies van het Bureau ten grondslag aan het besluit wordt gelegd, vergewist de minister zich ervan dat het onderzoek van het Bureau op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden (de zogenoemde vergewisplicht die is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht). Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau, in beginsel van het advies mag uitgaan. Dit neemt niet weg dat de minister zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. In dit kader moet de minister bijvoorbeeld nagaan dat niet uitsluitend zogenoemde “TCI-informatie” is gebruikt (dit is anonieme informatie afkomstig van het Team Criminele Inlichtingen). Verder moet de minister beoordelen of de feiten niet te oud zijn. In het kader van zijn vergewisplicht kan de minister nadere vragen stellen aan het Bureau.
De minister heeft, in de situatie dat sprake is van een mindere van mate van gevaar, als bedoeld in artikel 3, zevende lid, Wet Bibob, de bevoegdheid om voorschriften te verbinden aan de vergunning. Die bevoegdheid heeft de minister ook indien de ernst van de strafbare feiten een weigering of intrekking van de vergunning niet rechtvaardigt. De voorschriften moeten tot doel hebben de gevaarzetting, die volgt uit het onderzoek, weg te nemen of zoveel als mogelijk te beperken. De minister heeft ook de bevoegdheid om een reeds gegeven voorschrift te wijzigen op grond van artikel 3, zevende lid, Wet Bibob.
Indien de minister voornemens is om voorschriften aan de toelatingsvergunning te verbinden, wordt paragraaf 5 van dit hoofdstuk in acht genomen alvorens het besluit wordt genomen.
Indien de uitkomst is dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob, dan dient door de minister zelf te worden getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel van artikel 3, vijfde lid, Wet Bibob. De weigering van een aangevraagde vergunning of intrekking van een reeds gegeven vergunning vindt, op grond van artikel 3, vijfde lid, Wet Bibob, slechts plaats indien deze evenredig is met (a) de mate van het geconstateerde gevaar en (b) de ernst van de strafbare feiten, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, Wet Bibob, betreft.
De toelatingsvergunning kan ook worden geweigerd of ingetrokken indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de toelatingsvergunning een strafbaar feit is gepleegd. Ook in dat geval moet de weigering of intrekking tenminste evenredig zijn met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
Voor zover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Wet Bibob maar wel een mindere mate van gevaar of indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de toelatingsvergunning niet rechtvaardigt, dan is het mogelijk om aan de toelatingsvergunning voorschriften te verbinden. Als niet aan een dergelijk voorschrift wordt voldaan, dan kan de toelatingsvergunning ook worden ingetrokken.
Indien de minister voornemens is om de aanvraag om een toelatingsvergunning af te wijzen of in te trekken of daaraan voorschriften te verbinden, neemt hij paragraaf 5 van dit hoofdstuk in acht.
De aanvrager of houder van de toelatingsvergunning wordt overeenkomstig artikel 33, eerste lid, Wet Bibob in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, indien de minister op basis van eigen onderzoek of het advies van het Bureau voornemens is om de toelatingsvergunning te weigeren, in te trekken of hieraan voorschriften te verbinden.
Met het oog op de vereiste zorgvuldigheid, dient de aanvrager of houder in het kader van de toepassing van de weigerings- of intrekkingsgrond of in geval van het stellen van voorschriften in de gelegenheid te worden gesteld voorafgaand aan de definitieve besluitvorming, kennis te nemen van de gegevens waarop de voorgenomen beschikking zal worden gebaseerd. Op deze wijze kan de aanvrager of houder de juistheid van die gegevens ter discussie stellen en kan de minister het gebruik van die gegevens heroverwegen. De minister wijst de aanvrager of houder bij het verstrekken van de gegevens schriftelijk op de geheimhoudingsplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste lid, Wet Bibob.
Ook een derde die in de voorgenomen beschikking wordt genoemd, wordt overeenkomstig artikel 33, eerste lid, Wet Bibob in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Ook deze derde dient in de gelegenheid te worden gesteld voorafgaand aan de definitieve besluitvorming, kennis te nemen van de gegevens waarop de voorgenomen beschikking zal worden gebaseerd. Het afschrift van het advies dat aan deze derde wordt verstrekt bevat echter uitsluitend de hem betreffende gegevens. De minister wijst de derde bij het verstrekken van de gegevens schriftelijk op de geheimhoudingsplicht.
Na ontvangst van de zienswijzen worden deze door de minister verwerkt en zal besluitvorming plaatsvinden. Indien de minister in de gegeven zienswijzen geen aanleiding ziet van zijn voorgenomen besluit af te wijken, zal de minister besluiten de gevraagde vergunning te weigeren, de reeds gegeven vergunning in te trekken of voorschriften te verbinden aan de toelatingsvergunning. Een door de minister op grond van de Wet Bibob genomen besluit is vatbaar voor bezwaar en beroep.
Artikel 6
Besluitvorming
Onderdeel van Beleidsregels Wet Bibob Wtza· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 7 januari 2022