Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Onderzoek

Onderdeel van Aanwijzing geweldsaanwending opsporingsambtenaar· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2022

Transparantie over de wijze waarop de overheid uitvoering geeft aan het geweldsmonopolie is cruciaal voor het vertrouwen van de samenleving in het handelen van de overheid. Gedurende een onderzoek naar de toedracht van geweldgebruik door een opsporingsambtenaar moet daarom iedere schijn van partijdigheid worden voorkomen. Indien een opsporingsambtenaar gebruik heeft gemaakt van zijn vuurwapen met een overlijden of enig lichamelijk letsel tot gevolg, wordt daarom onafhankelijk onderzoek verricht door de rijksrecherche onder gezag van de officier van justitie. Dit geldt ook voor ander geweldgebruik door opsporingsambtenaren met de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Indien het toegepaste geweld geen of licht letsel heeft veroorzaakt, kan de officier van justitie een onderzoek naar de toedracht gelasten indien het gebruikte geweld daartoe aanleiding geeft. In die situatie zal, indien het onderzoeksbelang dit toelaat, het door de officier van justitie gelaste onderzoek zo mogelijk worden uitgevoerd door de interne onderzoeksafdeling4Iedere politie-eenheid beschikt over een afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). van de opsporingsinstantie waartoe de betrokken opsporingsambtenaar behoort. Indien reeds disciplinair onderzoek is ingesteld door de interne onderzoeksafdeling, wordt het strafrechtelijk onderzoek (feiten- of opsporingsonderzoek) niet door dezelfde medewerkers uitgevoerd.5Vgl. Kamerstukken II 2020–21, 28 844, nr. 220, p. 2. Het gezag over een onderzoek door de rijksrecherche naar de toedracht van een geweldsaanwending, ligt bij het arrondissementsparket dat is gevestigd in het arrondissement waar het geweldgebruik zich heeft voorgedaan. De hoofdofficier van justitie ziet erop toe dat het onderzoek wordt geleid door een zaaksofficier van justitie die voldoende onafhankelijk is ten opzichte van het onderdeel van de bijzondere opsporingsdienst of de politie-eenheid waartoe de opsporingsambtenaar behoort en dat elke schijn van afhankelijkheid wordt voorkomen. De zaaksofficier van justitie informeert de hoofdofficier van justitie over de voortgang en consulteert deze bij relevante beslissingen. Indien de rijksrecherche bijstand behoeft van andere opsporingsambtenaren, dan wordt die verleend door medewerkers van de interne onderzoeksafdeling van de opsporingsdienst waartoe de betrokken opsporingsambtenaar behoort of door medewerkers van een andere politie-eenheid. Forensisch onderzoek wordt verricht door de forensische recherche van een andere politie-eenheid dan die waarbinnen het incident heeft plaatsgevonden. Totdat de rijksrecherche ter plaatse is, treft de lokale politie-eenheid uitsluitend de eerste maatregelen ter bevriezing van de situatie zoals het afzetten van de plaats van het voorval, zorg voor slachtoffers en inventariseren van getuigen. Opsporingshandelingen worden in beginsel niet verricht door de politie-eenheid of opsporingsdienst waartoe de bewuste opsporingsambtenaar behoort.6De afdeling VIK van de politie-eenheid waartoe de opsporingsambtenaar behoort, kan uiteraard wel worden ingeschakeld voor (bijstand aan) het door de officier van justitie gelaste onderzoek. In afwijking hiervan kunnen bij dringende noodzakelijkheid, in overleg met de officier van justitie, noodzakelijke opsporingshandelingen, zoals het veiligstellen van bewijs, worden verricht ten behoeve van het onderzoek van de rijksrecherche. Deze handelingen worden door de rijksrecherche gecontroleerd op volledigheid en betrouwbaarheid en, indien daartoe aanleiding bestaat, opnieuw uitgevoerd. Op de hoofdregel dat het onderzoek naar een geweldsaanwending onder gezag van het lokale arrondissementsparket plaatsvindt, bestaan twee uitzonderingen: een onderzoek naar geweldgebruik door militairen (par. 2.1.) heeft plaats onder gezag van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, belast met militaire zaken; een onderzoek naar geweldgebruik door leden van de Dienst Speciale Interventies (DSI) geschiedt onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie van arrondissementsparket Midden-Nederland, tenzij de geweldstoepassing in het kader van een reguliere inzet van een Aanhoudings- en Ondersteuningseenheid (AOT) heeft plaatsgevonden.7In dat geval geldt de hoofdregel: het onderzoek geschiedt onder gezag van het parket dat is gevestigd in het arrondissement waar het geweldgebruik heeft plaatsgevonden. Een onderzoek naar de toedracht van geweldgebruik door leden van een AOT tijdens een gecombineerde inzet onder aansturing van de DSI, geschiedt eveneens onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie in Midden-Nederland.8Wanneer de DSI-inzet plaatsvond in het arrondissement Midden-Nederland, onder gezag van de hoofdofficier van justitie van parket Midden-Nederland of van de hoofdofficier van justitie van het Landelijk Parket, dan geschiedt het onderzoek naar de geweldsaanwending onder rechtstreekse verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Brabant. Indien een opsporingsambtenaar van de geweldsbevoegdheid gebruikgemaakt heeft, kan de officier van justitie op grond van art. 511a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een feitenonderzoek gelasten. Het feitenonderzoek is, anders dan een opsporingsonderzoek, gericht op de vraag of het geweldgebruik in overeenstemming met de geweldsinstructie9De geweldsinstructie is gedefinieerd in artikel 90novies Wetboek van Strafrecht. is geweest, en dus niet gericht op de vraag of de opsporingsambtenaar een strafbaar feit heeft gepleegd. De opsporingsambtenaar wordt in het feitenonderzoek niet aangemerkt als verdachte, noch als getuige.10De opsporingsambtenaar wordt gehoord als de ambtenaar als bedoeld in art. 27, derde lid, Sv. Het uitgangspunt is dat een melding als bedoeld in art. 18, tweede lid, Ambtsinstructie binnen een feitenonderzoek wordt onderzocht. Dit is alleen anders indien er direct rechtens relevante twijfel bestaat over de vraag of de opsporingsambtenaar in overeenstemming met de geweldsinstructie heeft gehandeld en een beroep op een (andere) strafuitsluitingsgrond niet aan de orde lijkt. Het gaat hierbij om twijfel bij de zaaksofficier van justitie. Te denken valt aan de situatie waarin uit de feiten en omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat de opsporingsambtenaar niet conform de geweldsinstructie heeft gehandeld, bijvoorbeeld omdat het geweld buitensporig lijkt te zijn geweest. In dat geval staat het de zaaksofficier van justitie vrij om direct een regulier opsporingsonderzoek te gelasten. Daarnaast kunnen de uitkomsten van een feitenonderzoek ertoe leiden dat dusdanige twijfel over de rechtmatigheid van het aangewende geweld ontstaat, dat de zaaksofficier van justitie alsnog een regulier opsporingsonderzoek gelast. De verklaringen die de opsporingsambtenaar gedurende het feitenonderzoek heeft afgelegd kunnen onverkort worden gebruikt in een regulier opsporingsonderzoek, omdat de opsporingsambtenaar als ambtenaar bedoeld in art. 27 lid 3 Sv dezelfde rechten toekomt als een verdachte, waaronder het zwijgrecht. Het ligt evenwel in de rede dat de opsporingsambtenaar opnieuw wordt gehoord als verdachte en in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de bevindingen uit het feitenonderzoek die aanleiding hebben gegeven om een regulier opsporingsonderzoek te gelasten. De zaaksofficier van justitie doet van de beslissing, om na afronding van het feitenonderzoek een opsporingsonderzoek in te stellen, onverwijld schriftelijk mededeling aan de opsporingsambtenaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel