Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Vervolging

Onderdeel van Aanwijzing geweldsaanwending opsporingsambtenaar· Openbare orde en veiligheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2022

De zaaksofficier van justitie legt zijn of haar afdoeningsvoorstel voor aan de hoofdofficier van justitie in het arrondissement waar het geweldgebruik heeft plaatsgevonden. De hoofdofficier van justitie beoordeelt of het geweldgebruik rechtmatig is geweest en beslist over de vervolging van de opsporingsambtenaar. Indien het een voorval betreft waarbij gebruikgemaakt is van een vuurwapen met enig lichamelijk letsel tot gevolg en waarnaar door de rijksrecherche onderzoek is verricht, legt de hoofdofficier van justitie de beoordeling en de voorgenomen afdoeningsbeslissing voor intercollegiale toetsing voor aan de Adviescommissie politieel vuurwapengebruik. Deze interne adviesaanvraag, in de vorm van een ambtsbericht, is verplicht en gaat vergezeld van een kopie van de processen-verbaal van de rijksrecherche (met alle daarbij behorende stukken). De Adviescommissie beoordeelt het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie, verwoordt de toedracht op grond van de ontvangen processen-verbaal en adviseert zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen tien werkdagen na ontvangst over de voorgenomen beslissing. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om andere schietincidenten facultatief voor te leggen aan de Adviescommissie. Het oordeel van de Adviescommissie is niet bindend, maar bedoeld om uniformiteit in de beoordelingen te bewerkstelligen. De hoofdofficier van justitie informeert de zaaksofficier van justitie over zijn of haar afdoeningsbeslissing en stelt de zaak in diens handen. De zaaksofficier van justitie doet onverwijld schriftelijk mededeling van de afdoeningsbeslissing aan de opsporingsambtenaar en stelt de rijksrecherche zo spoedig mogelijk in kennis. Indien een opsporingsambtenaar wordt gedagvaard wegens in de functie gebruikt geweld, wordt de strafzaak – ingevolge art. 2, derde lid, Sv – aanhangig gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland. De ‘blauwe kamer’ van de rechtbank Midden-Nederland is exclusief bevoegd om van deze zaken kennis te nemen.11Met uitzondering van strafzaken tegen militairen. Deze worden vervolgd bij de militaire kamer van de rechtbank Oost-Nederland. Onderzoeken naar geweldsaanwendingen door militairen vallen onder het gezag van het arrondissementsparket Oost-Nederland. Dit betekent dat alle zaken waarin een opsporingsambtenaar wegens een geweldsaanwending wordt gedagvaard, door het arrondissementsparket Midden-Nederland bij de rechtbank Midden-Nederland moeten worden aangebracht en dat, in die gevallen, het gezag over de vervolging bij dit parket is belegd. Dit volgt uit art. 9, eerste lid, Sv. Zoals in paragraaf 3.2. is opgemerkt, ligt het gezag gedurende het onderzoek bij het parket in het arrondissement waar de geweldsaanwending heeft plaatsgevonden. Dit parket draagt de strafzaak over aan het arrondissementsparket Midden-Nederland indien de hoofdofficier van justitie besluit dat de betrokken opsporingsambtenaar wordt gedagvaard. De hoofdofficier van justitie in Midden-Nederland neemt vervolgens de formele vervolgingsbeslissing. Ingeval de opsporingsambtenaar wordt gedagvaard en de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank Midden-Nederland, kan het OM ter zitting worden vertegenwoordigd door de zaaksofficier van justitie die het onderzoek heeft geleid.12Officieren van justitie zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie bij de overige arrondissementsparketten (art. 136, vijfde lid, Wet RO). Een sepotbesluit of een beslissing om een OM-strafbeschikking uit te vaardigen, wordt genomen door het lokale arrondissementsparket dat het gezag over het onderzoek had.13Indien de opsporingsambtenaar verzet instelt tegen de uitgevaardigde strafbeschikking moet de behandeling hiervan uiteraard worden aangebracht bij de rechtbank Midden-Nederland. Per 1 juli 2022 bevat het Wetboek van Strafrecht met art. 372 een kwaliteitsdelict dat verwijtbare schending van de geweldsinstructie met bepaalde gevolgen – enig lichamelijk letsel, zwaar lichamelijk letsel of de dood – strafbaar stelt.14De bepaling is niet van toepassing op geweld dat alleen pijn en geen letsel heeft veroorzaakt. De Minister heeft aangegeven geen aanleiding te zien om deze gevallen onder de reikwijdte van art. 372 Sr te brengen. De Minister is van oordeel dat er in die gevallen voldoende mogelijkheden zijn om disciplinaire maatregelen te nemen (Kamerstukken I 2020–21, 34 641, nr. F, p. 20–21). De achtergrond hiervan is dat de beoordeling van door opsporingsambtenaren in de functie toegepast geweld zich in beginsel dient te richten op de vraag of in overeenstemming met de geweldsinstructie is gehandeld, niet over de vraag of er sprake is van schuld of opzet aan een algemeen geweldsmisdrijf. Tegelijkertijd geldt dat wanneer een opsporingsambtenaar geweld aanwendt, vrijwel steeds sprake zal zijn van (voorwaardelijk) opzet op de gevolgen hiervan. Dit betekent dat het handelen in strijd met de geweldsinstructie zowel onder reikwijdte van art. 372 Sr als onder de delictsomschrijving van een algemeen geweldmisdrijf kan vallen. Het is aan de officier van justitie als dominus litis om te bepalen ter zake van welk delict wordt vervolgd. In algemene zin geldt dat art. 372 Sr is bedoeld voor gevallen waarin de opsporingsambtenaar een verwijtbare inschattingsfout heeft gemaakt of verwijtbaar onvoorzichtig is geweest en daardoor geweld toepaste dat niet conform de geweldsinstructie was. Vervolging van een opsporingsambtenaar ter zake van een algemeen geweldsmisdrijf vindt in beginsel uitsluitend plaats bij een opzettelijke (en forse) schending van de geweldsinstructie. In die gevallen is geen plaats voor toepassing van een specifiek op opsporingsambtenaren toegesneden beoordelingskader. Bij het opstellen van de tenlastelegging kiest de officier van justitie tussen het kwaliteitsdelict of de algemene geweldsdelicten: een primair-subsidiair, cumulatief en/of alternatief tenlasteleggen is ingevolge art. 261a Sv onmogelijk. Het nemo-teneturbeginsel behoort tot de kern van art. 6 EVRM en houdt in dat een verdachte niet mag worden gedwongen om aan zijn eigen veroordeling mee te werken15Zie bijvoorbeeld EHRM 17 december 1996, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862, NJ 1997/699 (Saunders/ Verenigd Koninkrijk).. Tegelijkertijd geldt dat de opsporingsambtenaar die gebruikgemaakt heeft van de geweldsbevoegdheid, daarvan ingevolge art. 152 Sv proces-verbaal dient op te maken. Deze verbaliseringsplicht staat op gespannen voet met het nemo-teneturbeginsel, omdat een proces-verbaal waarin het gebruik van geweld tegen een burger is beschreven wilsafhankelijk materiaal betreft. Voor de vraag of gebruik van zo’n proces-verbaal in een strafzaak tegen de opsporingsambtenaar een schending van art. 6 EVRM oplevert, is bepalend – kort gezegd – of het niet nakomen van de verbaliseringsplicht voor de opsporingsambtenaar een reële optie is. Het niet nakomen daarvan moet als een aanzienlijke belemmering van de strafvorderlijke waarheidsvinding worden beschouwd en kan, als plichtsverzuim, disciplinair worden gesanctioneerd. Hierbij komt dat het niet volledig waarheidsgetrouw verbaliseren, bijvoorbeeld door bepaalde feiten weg te laten waardoor een vertekend beeld van de werkelijkheid ontstaat, onder omstandigheden als meineed kan worden bestraft. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het niet nakomen van de verbaliseringsplicht geen reële optie is. Daarom is gebruik van een dergelijk proces-verbaal voor het bewijs in een strafzaak tegen de opsporingsambtenaar in kwestie wegens strijd met art. 6 EVRM niet toegestaan en wordt een ex art. 152 Sv opgemaakt proces-verbaal in principe niet bij de processtukken gevoegd.16De in het kader van de meldingsplicht door de ambtenaar verstrekte informatie kan evenmin als bewijs worden gebruikt (zie toelichting op de Ambtsinstructie, Stb. 2020, 144 p. 22). Het nemo-teneturbeginsel staat niet in de weg aan het gebruik als startinformatie voor onderzoek. Vgl. EHRM 19 december 2000, appl. nrs. 29522/95, 30056/96 en 30574/96 (I.J.L. en anderen v. Verenigd Koninkrijk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel