Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Algemeen

Onderdeel van Beleidsregel toepassen beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning archeologische rijksmonumentenactiviteit· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2024

In deze beleidsregels wordt aangegeven hoe de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE) namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument beoordeelt en hoe hij toepassing geeft aan de desbetreffende beoordelingsregels in artikel 8.80 Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna ook: Bkl). De RCE past deze beoordelingsregels toe als bevoegd gezag voor de rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument (in de gevallen als bedoeld in artikel 4.13 Omgevingsbesluit1De minister beslist over een aanvraag om een omgevingsvergunning als deze alleen betrekking heeft op een of meer rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument.) en als adviseur en instemmingsorgaan (in de gevallen als bedoeld in artikel 4.32, eerste lid, onder a, en tweede lid, Omgevingsbesluit). Ook wordt in deze beleidsregels aangegeven hoe de RCE omgaat met de bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5.34 Omgevingswet en 8.81 Bkl om in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, of daarover te adviseren. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Een rijksmonumentenactiviteit is een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (zie de bijlage bij artikel 1.1 Omgevingswet). Het is verboden een rijksmonumentenactiviteit te verrichten zonder omgevingsvergunning (artikel 5.1, eerste lid, onder b, Omgevingswet). De meeste rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument betreffen het verstoren van de bodem, aangezien de archeologische resten in Nederland zich vooral daarin bevinden. Bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden en grafheuvels, gaat het daarnaast ook om activiteiten die de belevingswaarde van het rijksmonument aantasten (ontsiering). Een rijksmonumentenactiviteit kan ook tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren. Tot slot kunnen archeologische monumenten onder water ook zonder verstoring van de waterbodem aangetast worden, zoals bij verwijdering of verplaatsing van zichtbare archeologische resten. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Deze beleidsregels zijn alleen van toepassing als er een vergunningplicht is. In de gevallen genoemd in artikel 13.11, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is er een generieke vrijstelling van de vergunningplicht. Daarnaast is voor veel archeologische rijksmonumenten bij het aanwijzingsbesluit of een aanvullend besluit vastgesteld dat tot een bepaalde diepte onder het maaiveld een aantal bodemingrepen zonder vergunning kan worden verricht. Oppervlakkige grondbewerking leidt namelijk niet tot verstoring van het bodemarchief, als de archeologische resten dieper in de bodem zitten. Voor terreinen waar de archeologische resten op of direct onder het maaiveld liggen, zoals bij veel zichtbare archeologische monumenten, is meestal geen vrijstelling van de vergunningplicht vastgesteld vanwege het risico op beschadiging of ontsiering. Als een vrijstellingsdiepte is vastgesteld, is ter informatie ook aangegeven voor welke werkzaamheden altijd een vergunning is vereist, ook binnen de vrijstellingsdiepte. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. In artikel 8.80 Bkl staan beoordelingsregels voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument. Deze beoordelingsregels luiden, voor zover van toepassing op archeologische monumenten: de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit wordt alleen verleend als de activiteit in overeenstemming is met het belang van de monumentenzorg (artikel 8.80, eerste lid); bij de beslissing op de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende beginselen (artikel 8.80, tweede lid, onder a en d): het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten (onderdeel a); en het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ (onderdeel d). Met het belang van de monumentenzorg wordt ook het belang van de archeologische monumentenzorg bedoeld. Hiermee wordt niet alleen het belang van het individuele rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument bedoeld, maar ook het belang van de archeologische monumentenzorg als geheel. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag worden dus ook de gevolgen voor het bestand aan archeologische rijksmonumenten als geheel en de kennis over andere archeologische rijksmonumenten betrokken. De beoordelingsregels in het tweede lid van artikel 8.80 Bkl vloeien voort uit internationaalrechtelijke beginselen. De onderdelen a en d van dat artikellid hebben (ook) betrekking op het belang van de archeologische monumentenzorg.2De overige beginselen in artikel 8.80, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, die in de onderdelen b en c, zijn niet op archeologische monumenten van toepassing maar alleen op monumenten. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Het belangrijkste verdrag voor de archeologische monumentenzorg is het verdrag van Valletta3Het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Trb. 1992, 32).. Het doel van dit verdrag is het archeologisch erfgoed te beschermen als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie, door het zoveel mogelijk in situ (ter plaatse, in of op de bodem) te behouden. Bij rijksmonumenten staat het beginsel van behoud in situ voorop. Het verdrag verplicht namelijk onder meer tot 'de vorming van archeologische reservaten (...) ter wille van het behoud van tastbaar bewijs voor bestudering door toekomstige generaties'4Artikel 2, onderdeel ii, van het verdrag van Valletta.. In het stelsel van Erfgoedwet en Omgevingswet wordt met de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten (artikel 3.1 Erfgoedwet) en de vergunningplicht voor rijksmonumentenactiviteiten (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, Omgevingswet) op nationaal niveau invulling gegeven aan deze verdragsverplichting.5Er zijn ook archeologische rijksmonumenten aangewezen ter uitvoering van het werelderfgoedverdrag (de op 16 november 1972 te Parijs tot stand gekomen overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155)). Zo is een deel van werelderfgoed Schokland als rijksmonument beschermd en geldt hetzelfde voor delen van de Romeinse Limes. Het beginsel van het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ, is ontleend aan artikel 4, onderdeel ii, van het verdrag van Valletta. Door archeologische rijksmonumenten beschikbaar te houden voor de samenleving en wetenschappelijk onderzoek kunnen toekomstige generaties deze bron – eventueel met betere technieken – in zijn oorspronkelijke vorm raadplegen en er hun eigen onderzoeksvragen over stellen. Het bodemarchief laat zich maar één keer verstoren («lezen»), dus hiermee moet terughoudend en zorgvuldig worden omgegaan. Daarnaast is ook het verdrag van Granada6De op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa (Trb. 1985, 163). Dit verdrag beoogt onder meer de bescherming van monumenten (bouwwerken of structuren (Eng. ‘buildings and structures’) of créaties (Fr. ‘réalisations’) van opmerkelijk historisch, archeologisch, artistiek, wetenschappelijk, sociaal of technisch belang. voor archeologische monumenten relevant. Het beginsel van het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van (archeologische) monumenten is ontleend aan artikel 4, tweede lid, van dit verdrag en betreft in dit verband het behoud van het archeologisch monument en zijn monumentale waarden. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. De bescherming als rijksmonument beoogt behalve de wetenschappelijke waarde van het bodemarchief ook de schoonheid (belevingswaarde) en cultuurhistorische waarde van archeologische rijksmonumenten voor de samenleving te behouden. Deze verschillende maar gelijkwaardige kwaliteiten vormen de uitgangspunten bij de beoordeling van een vergunningaanvraag. Niet elke voorgenomen aantasting van de monumentale waarden van een (voorbeschermd) rijksmonument betekent dat de omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit moet worden geweigerd. De beoordelingsregels (in art. 8.80 Bkl) maken een transparante belangenafweging mogelijk bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument. Bij de belangenafweging staan het voorkomen van ontsiering en beschadiging (of sloop) en het behoud in situ voorop, maar worden ook de belangen van de aanvrager van de omgevingsvergunning betrokken. Ook direct betrokken belangen van eventuele derden worden meegewogen. In paragraaf 2 van deze beleidsregels worden de uitgangspunten bij de belangenafweging nader uitgewerkt. Steeds worden de omstandigheden en belangen in het specifieke geval gewogen. Wat voor het ene archeologisch monument of de ene aanvrager geldt, zal niet zonder meer voor een ander archeologisch monument of een andere aanvrager gelden. De beoordeling van een vergunningaanvraag is en blijft daardoor maatwerk. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Omgevingswet (Stb.2016/156) in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel