Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Tegenbewijsregeling: beleggingstoets (artikel 20a, vierde lid, aanhef)

Onderdeel van Vennootschapsbelasting, verliesverrekening, toepassing artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 9 maart 2024

De beperking van de verliesverrekening van het eerste lid van artikel 20a geldt krachtens het vierde lid onder voorwaarden niet voor een verlies dat is geleden in een jaar waarin de bezittingen gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden (artikel 20a, vierde lid, aanhef). Voor deze zogenoemde beleggingstoets zijn beleggingen bezittingen die geen functie vervullen in de uitoefening van een onderneming, maar die worden aangehouden met oog op het verkrijgen van rendement dat bij normaal (actief) vermogensbeheer mag worden verwacht.4Zie onder meer Kamerstukken II 1999/2000, 27 209, nr. 3, p. 57. De bezittingen van de belastingplichtige mogen gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestaan (artikel 20a, vierde lid). Voor de bepaling van de termijn geldt dat geen sprake hoeft te zijn van een aaneengesloten periode van negen maanden. Wat betreft de waardering ligt het in de rede dat aangesloten wordt bij de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en de daarvan deel uitmakende beleggingen. De waarde in het economische verkeer geeft de actuele aanwending van het vermogen van de vennootschap weer. Daarbij kan worden uitgegaan van de waarde van de bezittingen zoals deze blijken uit de commerciële jaarstukken opgemaakt volgens de bepalingen van titel 9, boek 2, van het Burgerlijk Wetboek, dan wel volgens soortgelijke buitenlandse wettelijke regelingen. Dit geldt uiteraard ook voor toepassing van artikel 20a, zesde en negende lid. Als een houdstermaatschappij een wezenlijke functie vervult voor de door een groep gezamenlijk gedreven onderneming, zijn deelnemingen gehouden in het kader van deze functie geen beleggingen voor de beleggingstoets van artikel 20a, vierde lid, aanhef, en artikel 20a, zesde lid. Dit kan worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5550, r.o. 3.3: ‘Het Hof heeft (...) geoordeeld dat de activiteiten van de Groep tezamen en in vereniging naar hun aard moeten worden beschouwd als het drijven van een onderneming (...) Het Hof heeft aan deze oordelen de conclusie verbonden dat belanghebbende een onderneming dreef, kennelijk omdat belanghebbende ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de Groep een wezenlijke functie vervulde. Dit oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.’ Dit arrest is weliswaar gewezen voor de voorganger van het huidige artikel 20a, te weten artikel 20, vijfde lid (oud), Wet Vpb 1969, maar gezien de sterke verwantschap tussen beide bepalingen acht ik deze jurisprudentie ook van belang voor de toepassing van artikel 20a. Ook latere uitlatingen van de wetgever steunen de opvatting dat voor de beleggingstoets van het vierde lid, aanhef, en het zesde lid, van artikel 20a geen sprake is van een belegging bij een bezit in dienst van de bedrijfsuitoefening van een groep. Zie Kamerstukken I 2018/19, 34 959, D, p. 15: ‘Ook hetgeen is opgemerkt in de wetgeschiedenis bij de Overige fiscale maatregelen 2010 met betrekking tot artikel 13, negende lid, Wet Vpb 1969 (niet als belegging gehouden deelneming) kan van belang zijn voor de interpretatie ten behoeve van de toepassing van de beleggingstoets bij artikel 20a Wet Vpb 1969.’ De opmerking, waar door de wetgever naar verwezen wordt, luidt (met door mij aangebrachte vetdruk): ‘Ook indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, zal deze het belang niet als belegging houden.’ (Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 59) Bij de beoordeling of een houdstermaatschappij een wezenlijke functie vervult in dienst van de bedrijfsuitoefening van de groep waartoe zij behoort, rijst in de praktijk herhaaldelijk de vraag of hiervoor noodzakelijk is dat de houdstermaatschappij zelf feitelijk werkzaamheden verricht. Mijn antwoord hierop is dat een houdstermaatschappij die een schakelfunctie vervult in de juridische structuur van de door de groep waartoe zij behoort gezamenlijk gedreven materiële onderneming, een wezenlijke functie vervult in dienst van die gezamenlijke onderneming. Ook voor een dergelijke zogenoemde passieve houdstermaatschappij is voor de beleggingstoets van de aanhef van artikel 20a, vierde lid, de functie van het belang in de dochtermaatschappijen dus niet die van belegging, maar staat het bezit in dienst van een materiële (groeps)onderneming. Voor de beleggingstoets van artikel 20a, vierde lid, wordt als belegging ook aangemerkt de verhuur van onroerende zaken aan een niet verbonden lichaam, als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969 (artikel 20a, achtste lid, onderdeel a). Hieruit volgt overigens niet dat bij de verhuur aan een verbonden lichaam geen sprake is van een belegging. Vaak zijn binnen een concern de onroerende zaken ondergebracht in een zelfstandige vennootschap die deze verhuurt aan een verbonden werkmaatschappij. Een onroerende zaak die (passief) wordt verhuurd zal kwalificeren als belegging. Verhuur kan echter ook plaatsvinden in het kader van een onderneming. De feitelijke omstandigheden zijn bepalend of sprake is van een belegging dan wel van een onderneming. Voor de toepassing van artikel 20a worden onder beleggingen mede begrepen liquide middelen (artikel 20a, achtste lid, onderdeel a). Naar mijn oordeel worden daarmee niet bedoeld bedrijfsgebonden liquide middelen. Voor de beleggingstoets moet onderscheid worden gemaakt tussen de bezittingen die een functie vervullen in de uitoefening van de onderneming en bezittingen die worden aangehouden met het oog op het verkrijgen van rendement dat bij normaal (actief) vermogensbeheer mag worden verwacht. Bedrijfsgebonden liquide middelen worden niet aangemerkt als beleggingen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel