Naar hoofdinhoud

Artikel 2

De inzet van dwangmiddelen

Onderdeel van Aanwijzing strafvorderlijk optreden met betrekking tot journalisten· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 mei 2024

Voorop staat dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met de toepassing van dwangmiddelen9Omwille van de leesbaarheid wordt hier met het toepassen van dwangmiddelen tevens gedoeld op de inzet van opsporingsbevoegdheden. jegens journalisten die aanspraak kunnen maken op bronbescherming. Dit geldt ook als de inzet van het dwangmiddel niet direct gericht is op het achterhalen van de identiteit van de bron, maar wel voorzienbaar is dat de bronbescherming in het geding komt. In uitzonderlijke situaties kan het desalniettemin noodzakelijk zijn om bepaalde dwangmiddelen toe te passen wanneer bronbescherming (mogelijk) aan de orde is. In zo’n geval vraagt de officier van justitie altijd vooraf instemming voor de inzet van het dwangmiddel aan de hoofdofficier van justitie. Voorts dient het College van procureurs-generaal tevoren in kennis te zijn gesteld. Sinds de wetswijziging van 1 oktober 2018 is bij de toepassing van de dwangmiddelen genoemd in de artikelen 126n, 126nd, 126u, 126ud, 126zh, 126zl en 126nda Sv een machtiging vooraf door de rechter-commissaris vereist indien de vordering betrekking heeft op een journalist.10Inmiddels is bij artikel 126n Sv deze machtiging overigens ook vereist bij niet-journalisten, zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475. Daarnaast is nog steeds een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist voor de inzet van diverse andere opsporingsbevoegdheden, ongeacht of het gaat om een journalist. De rechter-commissaris kan de vordering van de officier van justitie tot inzet van een dwangmiddel bij een journalist toewijzen als sprake is van een zwaarder wegend maatschappelijk belang waaraan onevenredig grote schade zou worden toegebracht indien de informatie (die verkregen wordt door de inzet van het dwangmiddel) niet bekend zou worden. Het is daarom van groot belang dat de vordering voor de inzet van dwangmiddelen gepaard gaat met een goede motivering van de officier van justitie. Daarin wordt duidelijk gemaakt waarom het belang van de opsporing in dat geval zwaarder weegt dan de journalistieke belangen en de vrije nieuwsgaring en waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Zonder machtiging van de rechter-commissaris wordt het dwangmiddel niet ingezet. Aan toepassing van dwangmiddelen bij journalisten met doorbreking van bronbescherming kan worden gedacht bij ernstige feiten waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld en waarbij de noodzakelijke gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen. Voorafgaand aan voeging bij de processtukken dient rekening te worden gehouden met hetgeen is bepaald in art. 126aa lid 2 Sv. Hieronder wordt ingegaan op enkele specifieke dwangmiddelen. Wanneer het in het kader van een strafrechtelijk onderzoek nodig is om te beschikken over journalistiek materiaal, inclusief foto’s of audio- en video-opnames dan vordert de officier van justitie een bevel tot uitlevering ter inbeslagneming ex art. 105 Sv bij de rechter-commissaris. Door de rechterlijke toets is de procedure met meer waarborgen omkleed. Hoewel wettelijk mogelijk, zijn de procedures van art. 96 e.v. Sv dus uitdrukkelijk geen optie. Het is van belang dat het journalistieke werk door de inbeslagneming zo min mogelijk belemmerd wordt.11EHRM 14 september 2010, nr. 38224/03, ECLI:NL:XX:2010:BO7625 (Sanoma Uitgevers BV/Nederland). De journalist krijgt de gelegenheid om het materiaal te kopiëren en het originele materiaal wordt zo spoedig mogelijk aan de journalist teruggegeven, tenzij het bijvoorbeeld gaat om materiaal waarvan het enkele bezit strafbaar is. Wanneer op voorhand duidelijk is dat journalistiek beeldmateriaal tot stand is gekomen zonder dat een journalistieke bron in het geding is, is bronbescherming niet aan de orde en kan de procedure via de rechter-commissaris achterwege blijven. In een arrest uit 1999 oordeelde de Hoge Raad bijvoorbeeld dat op de openbare weg gemaakte camerabeelden van een rel niet onder de bronbescherming van art. 10 EVRM vielen.12Hoge Raad, 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3817. De inbeslagneming dient dan wel op een zodanige wijze te geschieden dat het werk van de journalist zo min mogelijk beperkt wordt. Het moeten dulden van een doorzoeking is ingrijpender dan het moeten opvolgen van een bevel tot uitlevering van informatie of het moeten getuigen, en zowel het huis van de journalist als zijn werkplek is in principe beschermd13EHRM 25 februari 2003, nr. 51772/99, ECLI:CE:ECHR:2003:0225JUD05177299 (Roemen en Schmitt/Luxemburg). Ook de Hoge Raad heeft zich eerder in deze zin uitgelaten: HR (civiele kamer) 2 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS6926. Sinds 1 oktober 2018 is dit vastgelegd in artikel 96c lid 1 Sv.. Indien de officier van justitie het noodzakelijk vindt om een plaats, bijvoorbeeld een redactielokaal, te doorzoeken op journalistiek materiaal, bijvoorbeeld omdat niet precies duidelijk is welk materiaal in beslag moet worden genomen, dient een met de inbeslagneming vergelijkbare procedure te worden gevolgd. De officier van justitie vordert daarom de doorzoeking ex artikel 110 Sv bij de rechter-commissaris. Het opnemen van vertrouwelijke communicatie is een vergaand dwangmiddel waarbij een bron achterhaald kan worden zonder dat de journalist in staat is zijn bron af te schermen. Er zal dan ook niet snel sprake zijn van een situatie waarbij toepassing van dit middel geoorloofd is. In zo’n geval is overigens, net als bij de telefoontap en het heimelijk binnendringen van een geautomatiseerd werk, ook altijd een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Niet altijd zal op het moment van inzet van een dwangmiddel of de aanvraag van een vordering tot de inzet daarvan duidelijk zijn dat het gericht is op een journalist of dat een journalist in beeld komt. Indien later komt vast te staan dat het om een journalist gaat, dient te worden beoordeeld of door de inzet van het dwangmiddel een ongeoorloofde inbreuk op het recht op bronbescherming van de journalist is gemaakt (artikel 218a Sv). Is dat het geval, dan worden de daarbij verkregen gegevens terstond vernietigd (artikel 126aa, tweede lid, Sv). Te denken valt aan de situatie van een telefoontap waarbij later blijkt dat een nummer waar het tapbevel betrekking op heeft in gebruik is bij een journalist. Indien pas later blijkt dat het gaat om een journalist, zullen mogelijk de procedures als hierboven beschreven in § 2.1 t/m 2.5 niet gevolgd zijn. Op dat moment dient de zaak alsnog te worden gemeld bij de hoofdofficier van justitie en bij het College van procureurs-generaal. Ook dient beoordeeld te worden of het eventuele niet volgen van de genoemde procedures, gevolgen heeft voor het strafrechtelijk onderzoek. Indien bij de inzet van opnemen vertrouwelijke communicatie na afgifte van de machtiging door de rechter-commissaris, maar vóór de inzet van het dwangmiddel duidelijk wordt dat een journalist betrokken is, dan wordt terstond de rechter-commissaris geïnformeerd. Wanneer een verzoek of bevel van het OM of de politie aan een buitenlandse justitiële of politiële autoriteit betrekking heeft op een journalist, worden de hierboven in § 2.1, 2.2 (voor zover wettelijk vereist) en 2.6 beschreven procedures gehanteerd. Ook bij de inzet van dwangmiddelen met betrekking tot een journalist ter uitvoering van een uit het buitenland ontvangen verzoek of bevel, worden voor zover mogelijk de hierboven in § 2.1 t/m 2.6 beschreven procedures gevolgd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel