Een journalist kan op verschillende manieren als verdachte in beeld komen. In sommige gevallen zal de journalist door het plegen van een strafbaar feit de aandacht willen vestigen op een kwestie van maatschappelijk belang (bijvoorbeeld met hacken een slechte computerbeveiliging aantonen). Ook kan een publicatie zelf strafbaar zijn (zoals haatzaaien of laster) of het voorhanden hebben van materiaal waarop een publicatie gebaseerd is (bijvoorbeeld bij staatsgeheimen). Het strafbare feit kan ook bestaan uit de aanwezigheid op een bepaalde plaats of een gekozen techniek om aan informatie te komen zijn (zoals het heimelijk opnemen van beelden en/of communicatie in een woning).
Indien de journalist wordt verdacht van een vanuit journalistiek oogmerk gepleegd strafbaar feit, kunnen dwangmiddelen worden toegepast. Of dan ook vervolging voor het gepleegde feit opportuun is, wordt beoordeeld naar de mate van betrokkenheid van de journalist en de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit14HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3752 en HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3057.. Bij de toepassing van dwangmiddelen in deze fase gelden de regels zoals vermeld in hoofdstuk 2.
Indien een journalist verdacht wordt van een feit waarbij de vrijheid van nieuwsgaring niet in het geding is, kunnen in beginsel alle reguliere dwangmiddelen worden toegepast. Mocht er door de inzet van dwangmiddelen echter een bron bekend worden, dan gelden weer de regels zoals vermeld in § 2.6.
Artikel 3
De journalist als verdachte
Onderdeel van Aanwijzing strafvorderlijk optreden met betrekking tot journalisten· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 mei 2024