Om van de uitkeringsvrijstelling gebruik te kunnen maken, moet de belastingplichtige jaarlijks premies betalen en aan de bandbreedte-eis voldoen (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdelen b en c, Wet IB 2001). Tot 1 april 2017 was voldoende dat ten minste 15 jaren jaarlijks premie was voldaan. Vóór die datum zijn verzekeringen aangegaan waarbij het in lijn met die eis mogelijk was om bijvoorbeeld 15 jaar premies te betalen en daarna de polis premievrij te maken. Per 1 april 2017 is een wetswijziging ingegaan waardoor het na 15 jaar stoppen met premiebetaling zou betekenen dat de betreffende KEW fictief tot uitkering komt of de betreffende Brede Herwaarderingskapitaalverzekering niet vrijgesteld meer kan zijn in box 1. Deze gevolgen vind ik ongewenst en daarom keur ik voor die verzekeringen het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de verzekeringnemer geacht wordt te hebben voldaan aan de voorwaarde dat hij gedurende de hele looptijd van de verzekering jaarlijks premie heeft betaald.
Ik stel hierbij de volgende drie voorwaarden:
Bij het aangaan van de polis is al voorzien in de mogelijkheid van een verkorte premieduur voor de verzekering van ten minste 15 jaar;
De verzekeringnemer betaalt of betaalde ook daadwerkelijk ten minste 15 jaar premies; en
Aan de overige wettelijke eisen voor de vrijstelling wordt voldaan. Voor een KEW gaat het om de eisen van de Wet IB 2001 en voor de Brede Herwaarderingskapitaalverzekering om de eisen van de Invoeringswet en de Wet IB 1964.
Deze goedkeuring brengt met zich dat het niet daadwerkelijk betalen van premies ná de periode van 15 jaar (een zogenoemde premievakantie), geen strijd oplevert met de bandbreedte-eis van artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001.
Voor het kunnen benutten van de vrijstelling voor de KEW (artikel 10bis.6 en 10bis.7 Wet IB 2001) geldt in het algemeen als voorwaarde dat met de kapitaalsuitkering de eigenwoningschuld zoveel mogelijk wordt afgelost (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). De vrijstelling kan ook worden benut in de situatie waarin een KEW fictief tot uitkering komt. Om in dat geval te voldoen aan de eis van artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 moet de belastingplichtige de kapitaalverzekering afkopen om de eigenwoningschuld zoveel mogelijk af te lossen.
Als een KEW fictief tot uitkering komt, voorziet de overeenkomst niet in automatische aflossing van de eigenwoningschuld. Bovendien zal in een aantal gevallen niet direct op het fiscaal relevante tijdstip voor de betrokkenen duidelijk zijn dat de KEW fictief tot uitkering is gekomen. Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat aan de verzekeringnemer in dergelijke gevallen een redelijke termijn toekomt om tot afkoop van de kapitaalverzekering over te gaan en om daarmee de eigenwoningschuld zo veel mogelijk af te lossen. In dit verband vind ik een termijn van zes maanden na het tijdstip van fictief tot uitkering komen een redelijke termijn. Als de belanghebbende bij overschrijding van die termijn bij de inspecteur aannemelijk maakt dat de overschrijding niet aan hem is te wijten, kan de inspecteur een langere termijn toestaan.
Bij deblokkering van een SEW of BEW kan de uitkeringsvrijstelling worden toegepast als onder andere wordt voldaan aan de eis dat de KEW-uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld (artikel 10bis.7, juncto artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Als een rekeninghouder of eigenaar komt te overlijden wordt de deblokkering geacht te hebben plaatsgevonden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden (artikel 10bis.5, vierde lid, onderdeel f, Wet IB 2001).
Een beleggingsrekening is standaard bij een BEW en kan onderdeel uitmaken van een SEW. De vraag is wat het effect op de eis van artikel 10bis.7, juncto artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is van waardedalingen van de beleggingen ná het tijdstip van overlijden. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich dat de vrijstelling in dat geval van toepassing blijft op het tegoed dat wordt gebruikt voor aflossing van de eigenwoningschuld. Als daarnaast uit andere middelen het verschil -tussen de waarde op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden en het uitgekeerde tegoed- wordt afgelost, geldt ook voor dat bedrag de vrijstelling. Dit zou in beginsel betekenen dat de vrijstelling niet van toepassing is.
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de vrijstelling in deze situatie niet voor een deel verloren behoeft te gaan. De vrijstelling blijft in ieder geval van toepassing op het tegoed dat wordt gebruikt voor aflossing van de eigenwoningschuld. Als voorts het voor aflossing ontbrekende bedrag – als gevolg van de waardedaling – uit andere middelen wordt aangevuld is in zoverre ook de vrijstelling van toepassing. Op deze wijze wordt in totaal alsnog een bedrag ter grootte van het op overlijdensdatum aanwezige tegoed voor de aflossing van de eigenwoningschuld gebruikt en is vrijgesteld.
Op het tijdstip van overlijden bedraagt de waarde van het SEW tegoed € 100.000. Als twee maanden later de eigenwoningschuld wordt afgelost, is het tegoed als gevolg van koersdalingen nog maar € 95.000 waard. De belastingplichtige heeft nog niet eerder van de vrijstelling gebruik gemaakt.
De vrijstelling is in ieder geval van toepassing op € 95.000 als daarmee de eigenwoningschuld wordt afgelost. Het rentebestanddeel in de ontbrekende € 5.000 is in beginsel belast. De belastingplichtige kan desgewenst € 5.000 aflossen uit andere middelen als gevolg waarvan € 100.000 is vrijgesteld. Als het tegoed van de SEW door koersstijgingen hoger wordt dan het tegoed op het tijdstip van overlijden, dan blijft de vrijstelling op het tegoed van € 100.000 van toepassing. Het hogere bedrag hoeft niet te worden aangewend voor de aflossing van de eigenwoningschuld, maar het rentbestanddeel in het hogere bedrag is wel belast en behoort tot box 3.
Als een eigenwoningschuld na de maximale periode van renteaftrek nog niet volledig is afgelost, verhuist de schuld naar box 3. De schuld is dan niet langer een eigenwoningschuld. Het kan zich voordoen dat de looptijd van de KEW op dat moment nog niet is verstreken. Echter, aan artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 wordt alleen voldaan als de KEW-uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld.
De wetgever heeft niet beoogd de uitkeringsvrijstelling van de KEW buiten toepassing te laten als met die KEW een schuld wordt afgelost, die uitsluitend door het verstrijken van de maximale periode van renteaftrek naar box 3 is verhuisd. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat aan de eis van artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 wordt voldaan als met de KEW-uitkering een voormalige eigenwoningschuld wordt afgelost die alleen door het verstrijken van de maximale periode van renteaftrek naar box 3 is verhuisd.
A koopt in 2003 een woning. A financiert de aankoop van die woning met een aflossingsvrije lening. In 2012 sluit A een KEW af met een looptijd van 30 jaar. De rente voor de eigenwoningschuld is maximaal 30 jaar aftrekbaar en eindigt dus in 2033. Als A de aflossingsvrije lening in 2033 niet aflost, verhuist deze naar box 3. In 2042 komt de KEW tot uitkering, waarmee A de aflossingsvrije lening aflost die is aangegaan voor de voormalige eigen woning die alleen door het verstrijken van de maximale periode van renteaftrek naar box 3 is verhuisd. In deze situatie wordt aan de eis van artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 voldaan. Als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan (zoals de jaarlijkse premiebetaling en de bandbreedte), is de uitkeringsvrijstelling van toepassing.
De uitkeringsvrijstelling is van toepassing als de uitkering uit een KEW heeft gediend als aflossing van een eigenwoningschuld en aan de overige voorwaarden is voldaan. Het blijkt in de praktijk voor belastingplichtigen niet altijd mogelijk om de uitkering uit een KEW te laten plaatsvinden vóór aflossing van de eigenwoningschuld. Het gevolg is dat belastingplichtigen strikt genomen geen gebruik kunnen maken van de uitkeringsvrijstelling als de verzekeringnemer of zijn partner op het moment van uitkering een eigen woning heeft. In de volgende subonderdelen geef ik goedkeuringen voor de situaties waarin ik dit ongewenst vind.
Het gebeurt in de praktijk regelmatig dat de eigenwoningschuld direct wordt afgelost met de opbrengst van de verkoop van de eigen woning en dat enige tijd daarna pas de KEW tot uitkering komt, als de verzekeringnemer of zijn partner een nieuwe eigen woning heeft. De verkoopopbrengst leidt tot aflossing van de eigenwoningschuld, waardoor geen recht meer bestaat op de uitkeringsvrijstelling (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Dit vind ik ongewenst als er een direct verband bestaat tussen de verkoop van de eigen woning, het vrijkomen van het kapitaal en de aflossing van de eigenwoningschuld. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur in deze situatie onder de volgende voorwaarden goed dat de uitkering wordt geacht voorafgaand aan de verkoop van de eigen woning plaats te vinden en zoveel als mogelijk te zijn gebruikt voor de aflossing van de eigenwoningschuld.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
De uitkering uit de KEW vindt plaats binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de eigenwoningschuld is afgelost. In dit verband vind ik een termijn van zes maanden na het tijdstip waarop de eigenwoningschuld is afgelost een redelijke termijn. Als de belastingplichtige bij overschrijding van die termijn bij de inspecteur aannemelijk maakt dat de overschrijding niet aan hem is te wijten, is een langere termijn aanvaardbaar; en
Er wordt aan de overige voorwaarden van de uitkeringsvrijstelling (artikel 10bis.6 Wet IB 2001) voldaan. Dit betekent onder andere dat in de situaties waarin de uitkering uit de KEW groter is dan de eigenwoningschuld, de uitkeringsvrijstelling niet geldt voor het meerdere.
Als de goedkeuring wordt toegepast heeft dit tot gevolg dat het vervreemdingssaldo eigen woning en de eigenwoningreserve achteraf herrekend moeten worden. Ik licht dit toe met een voorbeeld.
A heeft een eigenwoningschuld van € 200.000 en een KEW van € 60.000. Hij koopt op 1 juni 2023 een nieuwe eigen woning voor € 250.000. Zijn oude eigen woning verkoopt hij op 1 augustus 2023 voor € 200.000 en hij koopt in verband daarmee zijn KEW af. Met de verkoopopbrengst lost hij volledig zijn eigenwoningschuld op zijn oude woning af. Een maand later komt zijn KEW van € 60.000 feitelijk tot uitkering. In deze situatie kan de goedkeuring worden toegepast, waardoor de uitkering geacht wordt te zijn gebruikt om de eigenwoningschuld van de oude woning af te lossen. Dit heeft tot gevolg dat het vervreemdingssaldo eigen woning van A achteraf moet worden herrekend tot € 60.000. Het vervreemdingssaldo eigen woning wordt toegevoegd aan de eigenwoningreserve. Dit betekent dat de maximale eigenwoningschuld wordt herrekend tot € 190.000 (€ 250.000 minus € 60.000).1Artikel 3.119f, derde lid, Wet IB 2001
Het is mogelijk dat in deze situatie de verkoopopbrengst niet voldoende is om de gehele eigenwoningschuld af te lossen, stel dat A de oude eigen woning heeft verkocht voor € 180.000. A zal de restschuld van € 20.000 zoveel mogelijk moeten aflossen met de latere, feitelijke uitkering uit de KEW. Doet hij dat niet, dan heeft A in het geheel geen recht op de uitkeringsvrijstelling
Een belastingplichtige wil zijn eigenwoningschuld aflossen met de KEW. De aanbieder geeft enkel de mogelijkheid tot uitkering van de KEW nadat de eigenwoningschuld is afgelost. De belastingplichtige lost zijn eigenwoningschuld daarom eerst af uit eigen middelen, waardoor geen recht bestaat op de uitkeringsvrijstelling (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Dit vind ik ongewenst omdat het in deze situatie buiten de invloedsfeer van de belastingplichtige ligt dat hij geen gebruik kan maken van de uitkeringsvrijstelling. Daarom keur ik het volgende goed.
In deze situatie keur ik onder de volgende voorwaarden goed dat de uitkering wordt geacht plaats te vinden voorafgaand aan de aflossing van de eigenwoningschuld met de eigen middelen en zoveel als mogelijk te zijn gebruikt voor de aflossing van de eigenwoningschuld.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
De belastingplichtige kan aannemelijk maken dat de aanbieder enkel de mogelijkheid geeft tot uitkering van de KEW als de eigenwoningschuld is afgelost;
De uitkering uit de KEW vindt plaats binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de eigenwoningschuld is afgelost. In dit verband vind ik een termijn van zes maanden na het tijdstip waarop de eigenwoningschuld is afgelost een redelijke termijn. Als de belastingplichtige bij overschrijding van die termijn bij de inspecteur aannemelijk maakt dat de overschrijding niet aan hem is te wijten, is een langere termijn aanvaardbaar; en
Er wordt aan de overige voorwaarden van de uitkeringsvrijstelling (artikel 10bis.6 Wet IB 2001) voldaan. Dit betekent onder andere dat in de situaties waarin de uitkering uit de KEW groter is dan de eigenwoningschuld, de uitkeringsvrijstelling niet geldt voor het meerdere.
In artikel 10bis.5, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is als voorwaarde voor een SEW opgenomen dat de rekeninghouder of zijn partner een eigenwoningschuld heeft. In artikel 10bis.5, derde lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is dezelfde voorwaarde voor de eigenaar van een BEW of zijn partner opgenomen. Voor een KEW geldt de voorwaarde van het hebben van een eigenwoningschuld niet voor de verzekeringnemer of zijn partner. In de parlementaire geschiedenis is aandacht besteed aan dit verschil op het moment van afsluiten van deze producten. Dit verschil was niet bewust gecreëerd. Mede gelet op het feit dat de KEW – net als de SEW – uitsluitend mag worden benut voor de aflossing van een eigenwoningschuld, leek dit met name een theoretisch verschil (Kamerstukken I 2007/08, 30 432, C, p. 4). Het is niet meer mogelijk om een nieuwe SEW/BEW af te sluiten. In de parlementaire behandeling is niet voorzien dat in voorkomende gevallen na het afsluiten van een SEW/BEW tijdelijk geen eigenwoningschuld aanwezig is.
Een strikte toepassing van de voorwaarde blijkt in de praktijk niet goed houdbaar in de uitzonderlijke situatie dat tijdelijk geen eigenwoningschuld aanwezig is. Deze voorwaarde leidt dan tot het niet meer voldoen aan de voorwaarden van de SEW/BEW wat tot gevolg kan hebben dat de SEW/BEW fictief tot uitkering komt, waarbij moet worden afgerekend over het rentebestanddeel daar waar dit niet het geval zou zijn geweest bij een KEW. De strikte toepassing kan er ook toe leiden dat geen gebruik kan worden gemaakt van de verhuisregeling, terwijl deze wel van toepassing zou zijn bij een KEW. Dit acht ik ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat de SEW/BEW tijdens de looptijd niet hoeft te voldoen aan de voorwaarde dat de rekeninghouder/eigenaar van het beleggingsrecht of zijn partner een eigenwoningschuld heeft. Voor de volledigheid merk ik op dat de andere voorwaarden van artikel 10bis.5 Wet IB 2001 onverkort blijven gelden.
Als de definitieve aanslag over een belastingjaar onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor ambtshalve vermindering zoals opgenomen in artikel 9.6 Wet IB 2001 met dien verstande dat artikel 45aa, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 geen toepassing vindt. Dit betekent dat de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering op basis van dit besluit kan doen als minder dan vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
Hierna volgen twee voorbeelden ter toelichting op de goedkeuring.
Een belastingplichtige heeft een BEW. Hij lost zijn eigenwoningschuld met eigen middelen af. Door de goedkeuring leidt dit niet tot een fictieve deblokkering van de BEW. Op een later moment gaat de belastingplichtige een nieuwe eigenwoningschuld aan, voor bijvoorbeeld aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning. Aan het einde van de looptijd van de BEW gebruikt de belastingplichtige het tegoed van de BEW volledig om zijn (nieuwe) eigenwoningschuld af te lossen. Hierdoor kan hij gebruikmaken van de uitkeringsvrijstelling.
Een belastingplichtige heeft een SEW. Hij verkoopt zijn eigen woning en lost de eigenwoningschuld met eigen middelen af. Dit leidt tot een fictieve deblokkering, waarop mogelijk de uitkeringsvrijstelling van toepassing is (artikel 10bis.7, juncto artikel 10bis.6, eerste en tweede lid, Wet IB 2001). De SEW verhuist als spaarrekening naar box 3. Binnen de termijn voor de verhuisregeling (artikel 10bis.2b, juncto artikel 10bis.2, derde lid, Wet IB 2001) heeft de belastingplichtige een nieuwe eigen woning, bijvoorbeeld als sprake is van een woning in aanbouw (artikel 3.111, derde lid, Wet IB 2001). De belastingplichtige heeft echter binnen de termijn van de verhuisregeling nog geen eigenwoningschuld. Door de goedkeuring herleeft de spaarrekening als SEW, ook als er op dat moment nog geen nieuwe eigenwoningschuld is.
De goedkeuring laat namelijk onverlet dat op het moment van een latere (fictieve) deblokkering voldaan moet zijn aan de voorwaarden van artikel 10bis.7, juncto 10bis.6 Wet IB 2001 om gebruik te kunnen maken van de uitkeringsvrijstelling. Op bepaalde uitzonderingen na, betekent dit dat er een eigenwoningschuld moet zijn die wordt afgelost met het gedeblokkeerde tegoed (artikel 10bis.6, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, Wet IB 2001).
Artikel 4
Vrijstellingen
Onderdeel van Verzamelbesluit kapitaalverzekeringen, SEW en BEW· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 19 juli 2024