Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Artikel 13b Wet Vpb

Onderdeel van Besluit Deelnemingsvrijstelling· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 21 september 2024

Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is van toepassing bij een afgewaardeerde vordering op een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam een deelneming heeft. Het begrip ‘deelneming’ beoogt slechts aan te geven dat het verbonden lichaam een belang in de schuldenaar moet hebben dat voldoet aan de objectieve criteria van artikel 13, tweede lid, Wet Vpb (zie Kamerstukken I 2004/05, 29 686, nr. C, p. 3). Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is dus ook van toepassing als de deelneming wordt gehouden door een verbonden lichaam dat niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige voor de heffing van de vennootschapsbelasting. Artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is van toepassing als een schuldvordering ten laste van de in Nederland belastbare winst is afgewaardeerd. Uit de parlementaire behandeling van artikel 13b Wet Vpb blijkt dat het begrip ‘afwaardering’ ruim moet worden opgevat (zie Kamerstukken I 1989/90, 19 968, nr. 41c, p. 8). X BV heeft een vordering op haar dochtervennootschap Y BV. Deze vordering is op de nominale waarde gewaardeerd. Het aandelenbezit in Y BV vormt een deelneming. X BV besluit Y BV te liquideren. Y BV keert hierbij ter voldoening van de schuld aan X BV al haar bezittingen – bestaande uit de aandelen in vennootschap Z BV – uit aan X BV. De waarde van de aandelen Z BV is echter lager dan de boekwaarde van de vordering op Y BV. In dit voorbeeld ontvangt X BV in het kader van de liquidatie van Y BV ter aflossing van de vordering een pakket aandelen in Z BV, waarvan de waarde lager is dan de boekwaarde van deze vordering. Dit moet worden opgevat als een (definitieve) afwaardering van deze vordering. Dit standpunt is in overeenstemming met de bedoeling van artikel 13b Wet Vpb. Dit artikel tracht claimverlies te voorkomen in de gevallen waarin de toekomstige waardestijging van een vordering niet in Nederland kan worden belast. X BV heeft namelijk ter aflossing van de vordering een aandelenpakket in Z BV verkregen, waarvan de waardestijging onder de deelnemingsvrijstelling valt. Hierdoor kan het verlies op de vordering op Y BV in de toekomst dus niet meer met te belasten winst worden gecompenseerd. In artikel 13b, eerste lid, Wet Vpb is bepaald dat een schuldeiser in sommige gevallen het bedrag van de afwaardering tot zijn winst moet rekenen. Uit artikel 13b, derde lid, Wet Vpb volgt dat dit ook het geval is als de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de schuldeiser. In dit voorbeeld bestaat de onderneming van Y BV uit het aandelenpakket in Z BV en de schuld aan X BV. De aandelenoverdracht in het kader van de liquidatie van Y BV moet als een vervreemding van haar onderneming worden aangemerkt (zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 686, nr. 3, p. 9, laatste alinea). Gereserveerd. Als een schuldvordering op een lichaam waarin een deelneming wordt gehouden, is afgewaardeerd ten laste van in Nederland belastbare winst, heeft de vervreemding of overbrenging van de schuldvordering in bepaalde gevallen tot gevolg dat de afwaardering moet worden teruggenomen (artikel 13b, eerste en tweede lid, Wet Vpb). Deze bepaling ziet niet alleen op waardedalingen van een schuldvordering door de slechte gang van zaken bij de schuldenaar, maar ook op waardedalingen van een schuldvordering door valutaverliezen. De afwaardering moet ook worden teruggenomen als de onderneming of een gedeelte van de onderneming van de schuldenaar wordt vervreemd aan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon (artikel 13b, derde lid, Wet Vpb). De reden hiervoor is dat de vervreemding van de onderneming tot gevolg heeft dat een waardestijging van de afgewaardeerde schuldvordering (door een betere gang van zaken van de onderneming van de schuldenaar) zich niet meer kan voordoen. Als de waardedaling van een vordering echter alleen is veroorzaakt door valutaverliezen, is naar mijn mening geen sprake van een situatie die artikel 13b, derde lid, Wet Vpb wil treffen. De mogelijkheid dat de vordering weer in waarde stijgt (door valutawinsten), wordt namelijk niet beïnvloed door de vervreemding van de onderneming van de schuldenaar. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de inspecteur de toepassing van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb op verzoek achterwege kan laten. Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden: De vordering op de schuldenaar is volwaardig. De onderneming is vervreemd tegen een zakelijke tegenprestatie. De afwaardering van de vordering is louter veroorzaakt door valutaverliezen. Een latere waardestijging van de (door valutaverliezen) afgewaardeerde vordering leidt tot winst die in Nederland belastbaar is. Een latere niet door valutaverliezen veroorzaakte waardedaling van de vordering leidt tot een evenredige terugneming van de goedkeuring. Ik verleen hierbij de inspecteur toestemming als volgt te beslissen op een dergelijk verzoek: Onder verwijzing naar onderdeel 5.3.1 van het besluit van [19 september 2024 onderhavig besluit], nr. 2024-20865, keur ik goed dat de toepassing van artikel 13b, derde lid, Wet Vpb achterwege blijft ten aanzien van de overdracht van de onderneming of een gedeelte van de onderneming door [naam vervreemder/schuldenaar] aan [naam verkrijger]. Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden: [neem hier de voorwaarden a tot en met e over].

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel