Artikel 13c Wet Vpb is ingevoerd om te voorkomen dat de zogenoemde inhaalregeling van artikel 35 van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt ontlopen. Het terugnemen van inhaalverliezen als bedoeld in artikel 13c Wet Vpb ziet op verliezen uit een buitenlandse onderneming die voorheen door de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam werd gedreven, maar die na de omzetting in een deelneming wordt gedreven door het lichaam waarin die deelneming wordt gehouden. Zonder artikel 13c Wet Vpb zou het mogelijk zijn om inhaalverliezen definitief te maken door een buitenlandse onderneming om te zetten in een deelneming. Met ingang van 2012 is artikel 13c Wet Vpb vervallen. Op grond van artikel 33b, vijfde lid, Wet Vpb blijft dit artikel echter van toepassing in de daar beschreven gevallen. De volgende paragrafen hebben daarom ook na 2011 hun belang behouden.
In artikel 13c, eerste lid, Wet Vpb is aansluiting gezocht bij de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming in het lichaam dat de buitenlandse onderneming voortzet. Dit betekent dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen de positieve voordelen die enerzijds zijn toe te rekenen aan de activiteiten van de voortgezette buitenlandse onderneming en anderzijds aan de andere activiteiten van de deelneming. Ik kan mij voorstellen dat deze benadering in bepaalde gevallen kennelijk onredelijk uitpakt. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat artikel 13c Wet Vpb alleen wordt toegepast op de positieve voordelen die zijn toe te rekenen aan de voortgezette buitenlandse onderneming.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
De kennelijke onredelijkheid wordt aannemelijk gemaakt.
Er wordt aangetoond tot welk bedrag sprake is van de kennelijke onredelijkheid.
Naar mijn mening is in ieder geval sprake van een kennelijke onredelijkheid als de buitenlandse onderneming altijd verliesgevend is geweest en kort na de voortzetting wordt beëindigd vanwege de slechte gang van zaken.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat het feit dat artikel 13c Wet Vpb geen mogelijkheid biedt tot winstsplitsing, maar aansluit bij de positieve voordelen uit hoofde van de deelneming, op zichzelf niet leidt tot een kennelijke onredelijkheid.
Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Op grond van artikel 20, zoals dat luidde op 31 december 2021, en artikel 20a Wet Vpb zijn nog openstaande verliezen vanaf enig moment niet meer verrekenbaar. De 13c-claim kent geen termijn. Dit verschil kan naar mijn mening bij een onverkorte toepassing van artikel 13c Wet Vpb onredelijk uitpakken. Deze onredelijkheid doet zich voor als de 13c-claim betrekking heeft op niet meer verrekenbare verliezen voor zover deze verliezen direct voortvloeien uit buitenlandse verliezen van een omgezette buitenlandse onderneming. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de 13c-claim kan worden verminderd met het bedrag van deze niet meer verrekenbare verliezen.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
De negatieve winst uit een vaste inrichting die is omgezet in een deelneming heeft bij de belastingplichtige feitelijk geresulteerd in nog openstaande verrekenbare verliezen (anders gezegd: de niet meer verrekenbare verliezen van de belastingplichtige houden direct verband met deze negatieve ‘buitenlandse’ winst uit een vaste inrichting en zijn dus geen gevolg van eventuele ‘binnenlandse’ verliezen).
De verliezen zijn niet meer verrekenbaar op grond van artikel 20, zoals dat luidde op 31 december 2021, of artikel 20a Wet Vpb.
Hiertoe strekkende verzoeken moeten bij de inspecteur worden ingediend. De inspecteur beoordeelt of in een concreet geval voldoende samenhang bestaat tussen de niet meer verrekenbare verliezen en de buitenlandse verliezen. De inspecteur zendt het verzoek – vergezeld van een ambtsbericht – door naar de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Als een belastingplichtige is opgehouden winst uit een buitenlandse onderneming te genieten en hij of een met hem verbonden lichaam later opnieuw winst uit een buitenlandse onderneming gaat genieten, welke onderneming vervolgens wordt omgezet in een deelneming, ziet artikel 13c Wet Vpb niet op de eventuele verliezen uit de eerste gestaakte onderneming. Alleen de inhaalverliezen uit de op het moment van omzetting gedreven buitenlandse onderneming, worden voor de toepassing van artikel 13c Wet Vpb in aanmerking genomen.
Het voorgaande geldt niettegenstaande de omstandigheid dat de inhaalregeling van artikel 33b Wet Vpb wel geldt voor verliezen uit de al gestaakte buitenlandse onderneming, die op de voet van artikel 35, eerste lid, Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, zoals dat tot en met 2011 luidde, door de inspecteur zijn vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Gereserveerd.
In artikel 13c, vierde lid, Wet Vpb is een regeling voor middellijke belangen opgenomen. Hierdoor is artikel 13c Wet Vpb ook van toepassing als de buitenlandse onderneming wordt voortgezet door een lichaam waarin de belastingplichtige via een deelneming een middellijk belang heeft.
Evenals in artikel 13c, eerste lid, Wet Vpb wordt in artikel 13c, vierde lid, Wet Vpb aangesloten bij de positieve voordelen uit hoofde van die deelneming. De regeling geldt echter niet voor zover aannemelijk is dat dit positieve voordeel niet toerekenbaar is aan het lichaam dat de buitenlandse onderneming voortzet. Dit betekent dus dat de regeling in beginsel ziet op de positieve voordelen van de deelneming, die toerekenbaar zijn aan het middellijke belang dat de buitenlandse onderneming voortzet. Bij dit middellijke belang wordt echter – net als in het eerste lid – geen onderscheid gemaakt tussen de positieve voordelen die zijn toe te rekenen aan de activiteiten van de voortgezette buitenlandse onderneming en aan de andere activiteiten van het middellijke belang. Ik kan mij voorstellen dat deze benadering in bepaalde gevallen onredelijk uitpakt. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat artikel 13c Wet Vpb alleen wordt toegepast op positieve voordelen die zijn toe te rekenen aan de voortgezette buitenlandse onderneming.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
De kennelijke onredelijkheid wordt aannemelijk gemaakt.
Er wordt aangetoond tot welk bedrag sprake is van de kennelijke onredelijkheid.
Naar mijn mening is in ieder geval sprake van een kennelijke onredelijkheid als de buitenlandse onderneming altijd verliesgevend is geweest en kort na de voortzetting wordt beëindigd vanwege de slechte gang van zaken.
Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat het feit dat artikel 13c Wet Vpb geen mogelijkheid biedt tot winstsplitsing op het niveau van het middellijke belang dat de buitenlandse onderneming voortzet, op zichzelf niet leidt tot een kennelijke onredelijkheid.
Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Artikel 7
Artikel 13c Wet Vpb
Onderdeel van Besluit Deelnemingsvrijstelling· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 21 september 2024