In artikel 13, eerste lid, Wet Vpb is de hoofdregel van de deelnemingsvrijstelling opgenomen dat bij het bepalen van de winst de voordelen uit hoofde van een deelneming buiten aanmerking blijven. Dit betekent dat de winst niet wordt beïnvloed door waardestijgingen, maar ook niet door waardedalingen van een aandelenpakket.
In afwijking van deze hoofdregel is in artikel 13d Wet Vpb een bijzondere regeling voor liquidatieverliezen opgenomen: de zogenoemde liquidatieverliesregeling. Artikel 13d, eerste lid, Wet Vpb bepaalt dat de deelnemingsvrijstelling niet geldt voor een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat deze deelneming is ontbonden (liquidatieverlies). Het liquidatieverlies wordt vastgesteld op het bedrag dat voor de deelneming is opgeofferd verminderd met de liquidatie-uitkeringen. Artikel 13d, tweede tot en met dertiende lid, Wet Vpb regelt hoe dit liquidatieverlies moet worden berekend. Artikel 13d, veertiende en vijftiende lid, Wet Vpb regelen vervolgens op welk tijdstip en onder welke voorwaarden het liquidatieverlies in aanmerking wordt genomen.
Bij de liquidatieverliesregeling valt het ontbindingstijdstip (artikel 13d, eerste lid, Wet Vpb) vaak in een eerder jaar dan het vereffeningstijdstip (artikel 13d, veertiende lid, Wet Vpb). Dit betekent dat het geldende regime in het jaar van ontbinding door een wetswijziging kan afwijken van het regime in het jaar van vereffening. Naar mijn mening is de wettekst op het vereffeningstijdstip bepalend. Dit is namelijk het moment waarop het liquidatieverlies fiscaal in aanmerking kan worden genomen.
De liquidatieverliesregeling van artikel 13d Wet Vpb ziet alleen op formele liquidaties. Hiervan is sprake bij een ontbinding van een deelneming gevolgd door een vereffening. In de praktijk kunnen zich echter situaties voordoen waarin een deelneming weliswaar niet formeel is ontbonden of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel met een formele liquidatie is gelijk te stellen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het geval waarin een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij haar werkzaamheden wegens politieke omstandigheden blijvend moet beëindigen. Ook kan worden gedacht aan het geval waarin een dochtermaatschappij wordt genationaliseerd, waarbij de moedermaatschappij alle zeggenschap in de dochtermaatschappij verliest en de investering geen vruchten meer afwerpt.
Ik keur goed dat vorenbedoelde twee gevallen worden beschouwd als een liquidatie in de zin van artikel 13d Wet Vpb. Hierdoor kan de liquidatieverliesregeling van artikel 13d Wet Vpb overeenkomstig toepassing vinden.
In andere situaties waarin een deelneming niet formeel is ontbonden of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel met een liquidatie is gelijk te stellen, kan de belanghebbende een hardheidsclausuleverzoek doen. Het verzoek moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Daar zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot toepassing van artikel 63 AWR.
Voor de volledigheid verwijs ik nog naar de in onderdeel 8.14.1 getroffen regeling voor langlopende liquidaties, waarbij de deelneming wel is ontbonden, maar de vereffening om welke reden dan ook lang duurt.
Gereserveerd
Als uit de winst van een deelneming een bonusaandeel wordt ontvangen, heeft dit geen effect op het voor de deelneming opgeofferde bedrag. Het maakt daarbij geen verschil of de uitgifte van het bonusaandeel geput wordt uit nieuwe winstreserves of reserves die al bestonden ten tijde van de verwerving van de deelneming (meegekocht dividend). Hoewel bij de deelneming een verschuiving van winstreserves naar kapitaal/agio plaatsvindt, kan niet gezegd worden dat de belastingplichtige ter gelegenheid van de uitgifte van de winstbonusaandelen iets opoffert.
Bij de bepaling van het voor een deelneming opgeofferde bedrag is in beginsel hetgeen een belastingplichtige bij de verkrijging van de deelneming heeft opgeofferd van belang. Het opgeofferde bedrag moet beoordeeld worden vanuit het perspectief van de belastingplichtige. Een wijziging in het uiteindelijke belang in de belastingplichtige is dan ook niet van invloed op het door de belastingplichtige voor haar deelneming opgeofferde bedrag.
Als een deelneming fiscaal wordt gewaardeerd boven de kostprijs kan dat ertoe leiden dat de belastingplichtige in enig jaar een ongerealiseerd (boekhoudkundig) vrijgesteld voordeel uit hoofde van die deelneming in aanmerking neemt. Dit voordeel wordt echter voor de toepassing van artikel 13d, zesde lid, Wet Vpb in dat jaar niet geacht te zijn genoten en behoort dan ook niet tot het totaal van de liquidatie-uitkeringen als bedoeld in dat zesde lid.
Als het voordeel in een later jaar alsnog wordt ontvangen, bijvoorbeeld als gevolg van een dividenduitkering of een inkoop van aandelen, behoort dit voordeel in dat latere jaar wel tot het totaal van de liquidatie-uitkeringen als bedoeld in artikel 13d, zesde lid, Wet Vpb. Hieraan doet niet af dat in dat latere jaar (boekhoudkundig) geen sprake is van een voordeel uit hoofde van die deelneming, omdat de uitkering wordt afgeboekt van de boekwaarde van de deelneming.
Artikel 13d, zevende lid, Wet Vpb regelt onder andere hoe moet worden omgegaan met de liquidatie van een tussenhoudster als een tot het vermogen van deze tussenhoudster behorende deelneming is vervreemd of als voorafgaand aan de liquidatie van deze tussenhoudster deze deelneming wordt geliquideerd.
X BV houdt alle aandelen in tussenhoudster TH1 BV. TH1 BV houdt op haar beurt alle aandelen in D BV. Vervolgens worden de aandelen in D BV ingebracht in een nieuw opgerichte vennootschap TH2 BV, waarvan TH1 BV alle aandelen houdt. Enkele jaren later worden achtereenvolgens D BV en TH1 BV geliquideerd.
Bij liquidatie van TH1 BV moet de waardedaling van de aandelen D BV in aanmerking worden genomen die zich heeft voorgedaan in de periode dat TH1 BV de aandelen in D BV hield. Dit betekent dat het liquidatieverlies in TH1 BV slechts in aanmerking wordt genomen voor zover dit verlies het bedrag van de waardedaling in D BV te boven gaat. De omstandigheid dat D BV na de verhanging middellijk behoort tot het vermogen van TH1 BV en wordt geliquideerd voordat TH1 BV wordt geliquideerd, betekent niet dat met deze waardedaling geen rekening hoeft te worden gehouden.
Artikel 13d, zevende lid, Wet Vpb wil namelijk bewerkstelligen dat per saldo alleen de eigen verliezen van TH1 BV bijdragen aan de omvang van het liquidatieverlies van X BV in TH1 BV. Een deelnemingsverlies van TH1 BV wordt door de werking van de deelnemingsvrijstelling niet als eigen verlies aangemerkt. Het gaat daarbij om het verlies dat door TH1 BV op D BV wordt geleden sinds de verkrijging door X BV van de deelneming in TH1 BV.
Uit de tekst van artikel 13d, zevende lid, Wet Vpb blijkt dat bepalend is of tot het vermogen van het ontbonden lichaam (TH1 BV) een deelneming (D BV) heeft behoord die is vervreemd en die in waarde is gedaald. De deelneming D BV is door TH1 BV vervreemd aan een tot het concern behorende vennootschap (TH2 BV). Hieraan doet niet af dat na de vervreemding deelneming D BV middellijk behoort tot het vermogen van TH1 BV en evenmin dat D BV na de vervreemding (en voorafgaande aan de liquidatie van TH1 BV) wordt geliquideerd. Een andere redenering zou in strijd komen met doel en strekking van artikel 13d, zevende lid, Wet Vpb (voorkomen dubbele verliesverrekening).
Gereserveerd.
Op grond van artikel 13d, negende lid, Wet Vpb wordt, bij de verkrijging van een deelneming van een verbonden lichaam, het opgeofferde bedrag ten tijde van de verkrijging niet hoger gesteld dan het bedrag hetwelk dat lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat in dit kader de hardheidsclausule van artikel 63 AWR een rol zou kunnen spelen in gevallen waarin bijvoorbeeld het A-concern een B-concern overneemt. Bij een overdracht van een tot B-concern behorende deelneming kan het onder omstandigheden onredelijk zijn het opgeofferde bedrag te beperken tot hetgeen ooit is opgeofferd door het B-concern.17Kamerstukken II 1995/96, 24 696, nr. 8, p. 25.
De hiervoor bedoelde onredelijkheid doet zich bijvoorbeeld voor in de situatie waarbij kort na de verwerving van het B-concern door belastingplichtige, een herstructurering plaatsvindt waarbij de aandeelhouder van het B-concern wordt ontbonden en vereffend en de deelneming van deze aandeelhouder als liquidatie-uitkering wordt uitgekeerd aan de belastingplichtige. Deze herstructurering kan ertoe leiden dat de belastingplichtige het door hem voor het B-concern betaalde bedrag niet meer vertaald ziet in het opgeofferde bedrag dat voor hem op grond van artikel 13d, negende lid, eerste volzin, Wet Vpb gaat gelden voor de deelneming die hij in het kader van de vereffening van de aandeelhouder heeft verkregen. In een dergelijke situatie acht ik het binnen de strekking van artikel 13d, negende lid, Wet Vpb passend dat het opgeofferde bedrag voor de in het kader van de vereffening verkregen deelneming niet wordt beperkt tot hetgeen de aandeelhouder van het B-concern heeft opgeofferd voor die deelneming. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de eerste volzin van artikel 13d, negende lid, Wet Vpb achterwege blijft bij de vaststelling van het opgeofferde bedrag voor de deelneming die in het kader van de vereffening van de aandeelhouder van een overgenomen groep is verkregen.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
De ontbinding en vereffening van de aandeelhouder van de overgenomen groep vindt plaats in direct verband met en binnen een als redelijkerwijs te beschouwen korte tijdspanne na de verwerving van de overgenomen groep.
Het opgeofferd bedrag wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen van de verkregen deelneming ten tijde van de vereffening van haar aandeelhouder, dan wel het oorspronkelijke opgeofferde bedrag dat belastingplichtige heeft voldaan voor de aandelen in de (vereffende) aandeelhouder als dit lager is.
In een situatie waarin de herstructurering niet plaatsvindt door middel van de ontbinding en vereffening van de aandeelhouder van de overgenomen groep, kan een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR worden gedaan. Het verzoek moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Daar zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot toepassing van artikel 63 AWR.
Gereserveerd.
Artikel 13d, veertiende lid, Wet Vpb bepaalt dat het liquidatieverlies – mits aan een aantal wettelijke vereisten wordt voldaan – eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking wordt genomen. Deze keuze voor het tijdstip waarop de vereffening is voltooid, is tijdens de parlementaire behandeling als volgt nog nader gemotiveerd:
door de liquidatie van de dochter heeft de fiscus de zekerheid dat de mogelijkheid van verliescompensatie voorgoed verloren is gegaan;
in een eerder jaar dan waarin de vereffening van de dochter plaatsvindt, kan het liquidatieverlies nog niet worden berekend, omdat dit mede afhankelijk is van de liquidatie-uitkeringen.
Volledigheidshalve merk ik op dat een liquidatieverlies niet in aanmerking kan worden genomen in een jaar na het jaar waarin de vereffening is voltooid.
Het komt voor dat een deelneming in staat van faillissement is verklaard of het besluit tot liquidatie van de deelneming is genomen, maar de vereffening buiten de wil van de belastingplichtige om nog niet is voltooid. Omdat de vereffening nog niet is voltooid kan nog geen liquidatieverlies in aanmerking worden genomen. Dat vind ik in dit geval ongewenst en daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat het liquidatieverlies vanaf het achtste jaar volgende op het jaar waarin de deelneming in staat van faillissement is verklaard of het besluit tot liquidatie van de deelneming is genomen, maar uiterlijk in het jaar waarin de vereffening is voltooid, ten laste van de winst kan worden gebracht.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
Belastingplichtige doet blijken dat het later voltooien van de vereffening niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting.
Belastingplichtige doet blijken dat de keuze voor het in aanmerking nemen van het liquidatieverlies in het achtste of een later jaar niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting.
Belastingplichtige verklaart schriftelijk dat de eventuele voordelen die in enig jaar nog opkomen uit de deelneming, bij het bepalen van de winst in aanmerking worden genomen.
Bij motieven gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting kan bijvoorbeeld worden gedacht aan overwegingen in het kader van de optimalisatie van de verliesverrekeningspositie van de belastingplichtige.
Ik merk hierbij op dat het verzoek aan het Ministerie van Financiën moet worden voorgelegd als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. De inspecteur beoordeelt of dit het geval is. De inspecteur zendt het verzoek – vergezeld van een ambtsbericht – door naar de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag. Vervolgens zal per geval worden beoordeeld of er aanleiding is tot toepassing van artikel 63 AWR.
Overigens wijs ik in dit verband nog op
onderdeel 8.1.2 voor gevallen waarin de deelneming niet formeel is of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel gelijk staat met een formele liquidatie.
Sommige buitenlandse rechtssystemen kennen de mogelijkheid om een lichaam volgens een vereenvoudigde procedure te ontbinden, zonder dat een formeel vereffeningtraject wordt doorlopen. Een bijzonder aspect van deze vereenvoudigde ontbindingsprocedures is dat in sommige gevallen het lichaam onder voorwaarden weer kan herleven.
Een voorbeeld van een vereenvoudigde, voorwaardelijke ontbindingsprocedure is de Engelse strike-off procedure. Het Engelse recht biedt namelijk de mogelijkheid dat het ontbonden lichaam door tussenkomst van de rechter weer herleeft.
De vraag is echter of het voorwaardelijke karakter van een vereenvoudigde ontbindingsprocedure eraan in de weg staat om aan te nemen dat sprake is van ontbinding en vereffening. Ik ben van mening dat dit – afhankelijk van de buitenlandse regeling en onder bepaalde voorwaarden – niet het geval hoeft te zijn. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat met een beroep op de hardheidsclausule een vereenvoudigde ontbindingsprocedure kan worden beschouwd als een ontbinding en vereffening in de zin van artikel 13d, veertiende lid, aanhef, Wet Vpb.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden:
De vereenvoudigde ontbindingsprocedure is voltooid.
De belastingplichtige overlegt een bewijs van voltooiing van de vereenvoudigde ontbindingsprocedure (bijvoorbeeld een notification of dissolution).
Het lichaam heeft geen schulden aan derden openstaan.
De belastingplichtige informeert de inspecteur zodra het ontbonden lichaam herleeft
Het liquidatieverlies wordt teruggenomen in het jaar waarin het lichaam herleeft.
Het verzoek om toepassing van artikel 63 AWR moet worden gericht aan de Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek/Team Brieven en Beleidsbesluiten, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.
Overigens merk ik nog op dat een vereenvoudigde fusiefaciliteit niet hetzelfde is als een vereenvoudigde ontbindingsprocedure.
Artikel 13d, veertiende lid, Wet Vpb stelt o.a. als voorwaarde dat er bij de belastingheffing geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven (artikel 13d, veertiende lid, onderdeel a, Wet Vpb). Naar mijn mening is sprake van enigerlei tegemoetkoming als de (buitenlandse) verliezen van de te liquideren deelneming in het kader van een buitenlandse groupreliefregeling zijn of hadden kunnen worden overgedragen aan een ander (concern)lichaam. Ook dan is bij die (al voor de liquidatie) overgedragen verliezen namelijk sprake van een tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij de deelneming onverrekend zijn gebleven. Dat betekent dus dat het van toepassing (kunnen) zijn van een groupreliefregeling op verliezen van de deelneming tot gevolg heeft dat bij liquidatie van de deelneming aftrek van het liquidatieverlies niet mogelijk is.
Artikel 13d, veertiende lid, onderdeel b j° artikel 13e Wet Vpb regelt dat de effectuering van de liquidatiebepaling wordt opgeschort als de onderneming van het ontbonden lichaam geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet door de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam.
Tijdens de parlementaire behandeling (zie Kamerstukken II 1987/88, 19 968, nr. 7, p. 40) is aangegeven dat het begrip ‘onderneming’ voor artikel 13d, veertiende lid, onderdeel b, Wet Vpb ruim moet worden opgevat. Hierdoor vallen ook beleggingsactiviteiten onder dit ondernemingsbegrip. Deze ruime uitleg is in lijn met de ratio van deze bepaling dat reguliere verliescompensatiemogelijkheden niet naar willekeur kunnen worden ingeruild voor een liquidatieverlies.
Allereerst merk ik op dat er pas sprake is van staken als de gehele onderneming is gestaakt. Omdat het begrip ‘onderneming’ in dit verband ruim moet worden geïnterpreteerd, betekent dit dus ook dat eventuele beleggingsactiviteiten moeten zijn gestaakt.
Daarnaast hoeft er naar mijn mening bij twijfel geen gedeeltelijke voortzetting te worden aangenomen:
als de voortgezette activiteiten ten opzichte van de onderneming van het ontbonden lichaam kwalitatief bijkomstig en qua omvang gering zijn:
‘Kwalitatief bijkomstig’ betekent in dit verband dat het geen speerpuntactiviteit van het concern is die op het moment van liquidatie kwantitatief nog niet veel voorstelt, maar als veelbelovend is aan te merken (wat ook de reden is om deze activiteiten bij de liquidatie niet te beëindigen of te verkopen, maar ergens anders binnen het concern voort te zetten).
‘Qua omvang gering’ betekent in dit verband minder dan 5% van de activiteiten.
als de voortgezette activiteiten de functie hebben van voorbereidende of hulpactiviteiten in de onderneming van het ontbonden lichaam. Een voorbeeld hiervan is het onderbrengen van resterende service- c.q. garantieactiviteiten van het ontbonden lichaam ergens anders binnen het concern.
door de enkele omstandigheid dat de omzet van de geliquideerde dochter wordt verdeeld door de markt met als gevolg dat een deel daarvan weer aan het concern toevalt. Slechts als een duidelijk meer dan evenredig deel van die omzet toevalt aan het resterende concern, is hieraan enige steun te ontlenen dat sprake is van gedeeltelijke voortzetting binnen concern.
Tot slot merk ik nog op dat houdsteractiviteiten geen aanleiding geven tot het constateren van een voortgezette onderneming voor de toepassing van artikel 13d, veertiende lid, onderdeel b, Wet Vpb. Deze activiteiten hebben hun effect op het liquidatieverlies via artikel 13d, zevende lid, Wet Vpb, en niet via artikel 13d, veertiende lid, onderdeel b j° artikel 13e Wet Vpb.
Artikel 8
Artikel 13d Wet Vpb
Onderdeel van Besluit Deelnemingsvrijstelling· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 21 september 2024
Verwijzingen
- artikel 63 AWR
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 63 AWR
- artikel 13d
- Artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13
- Artikel 13d
- Artikel 13d
- Artikel 13d
- artikel 13d
- Artikel 13d
- Artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13d
- Artikel 13d
- artikel 63 AWR
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 63 AWR
- artikel 63 AWR
- artikel 13d
- artikel 13d
- artikel 63 AWR
- Artikel 13d