Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Besluit Ondernemingsfaciliteiten· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 6 november 2024

De overdrachtsbelasting kent een aantal ondernemingsfaciliteiten in de vorm van vrijstellingen. Deze vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 15, eerste lid, onderdelen b, e, f, h en q, WBR. Dit besluit bevat het beleid over de ondernemingsfaciliteiten. Het besluit actualiseert en vervangt het besluit van 25 mei 2018, nr. 2018-50125 (Stcrt. 2018, 30213). Dit besluit werd eerder gewijzigd bij besluit van 6 juni 2025, nr. 2025-10082 (Stcrt. 2025, 20464), waarbij de onderdelen 2.2 en 2.4 zijn gewijzigd en de onderdelen 6 en 6.1 zijn vervallen. Daarna is het besluit gewijzigd bij besluit van 28 mei 2026 [2026-10287] [Stcrt. 2026, 19673], waarbij een omissie in de onderdelen 3.9 en 4.1 met betrekking tot de voortzettingseis is hersteld. Ook is voor deze onderdelen verduidelijkt dat voor toepassing van de goedkeuring vereist is dat ten minste het onroerend goed achterblijft bij de vennootschap die de onderneming bij de omzetting, respectievelijk de fusie, heeft verkregen. Onderdeel 2 bevat het beleid over de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR (bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer). In het nieuwe onderdeel 2.7 (en de bijbehorende subonderdelen) wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de toepassing van de vrijstelling na de zogenoemde doorkijkarresten van de Hoge Raad van 30 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2110 en 2200). Onderdeel 2.7 uit het besluit van 25 mei 2018 is vervallen vanwege de opheffing van het Bureau Beheer Landbouwgronden. De overige onderdelen over de toepassing van de vrijstelling bij bedrijfsoverdracht uit het besluit van 25 mei 2018 zijn vernummerd en opnieuw in dit besluit opgenomen. Onderdeel 3.4 is aangepast aan onderdeel 9 van het besluit Inkomstenbelasting Winst; landbouwproblematiek van 23 november 2018, nr. 2018-115091 (Stcrt. 2018, 68647). De in dit onderdeel opgenomen goedkeuring geldt voor zowel een windturbineonderneming als een onderneming die zonnepanelen exploiteert. De overige onderdelen uit het besluit van 25 mei 2018 over de toepassing van de vrijstelling bij inbreng of omzetting van een onderneming zijn opnieuw opgenomen. In onderdeel 3.9 (Voortzettingseis. Vervreemding onderneming) is de inleidende tekst verduidelijkt en zijn de voorwaarden van de goedkeuring aangepast. Hetzelfde geldt voor onderdeel 4.1 voor de bedrijfsfusievrijstelling (artikel 15, eerste lid, onderdeel h, WBR). Onderdeel 4.2 is nieuw en bevat een goedkeuring betreffende de aanhoudingseis bedoeld in artikel 5a, derde lid, UBBR in geval van certificering van aandelen die bij een bedrijfsfusie zijn verkregen. Deze goedkeuring komt overeen met de bestaande goedkeuring in onderdeel 3.8.1 die geldt voor de certificering van aandelen die als gevolg van een omzetting van een onderneming zijn verkregen. Het nieuwe onderdeel 7 bevat een goedkeuring voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel q, WBR (cultuurgrond). Met de genoemde aanpassingen in de onderdelen 3.9, 4.1, 4.2 en 7 worden eerdere met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 AWR verleende goedkeuringen in het besluit vastgelegd. De overige onderdelen van het besluit zijn overgenomen uit het besluit van 25 mei 2018. Daarbij zijn enkele redactionele aanpassingen aangebracht zonder inhoudelijke gevolgen. Voor zover op grond van de in dit besluit opgenomen goedkeuringen, ter zake van een verkrijging een vrijstelling als bedoeld in het bepaalde in artikel 15, eerste lid, WBR wordt toegepast, geldt de voorwaarde dat voor deze verkrijging overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, negende lid, WBR aangifte wordt gedaan. Indien voor de verkrijging een notariële akte wordt opgemaakt, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige zin, aangifte gedaan met overeenkomstige toepassing van artikel 18 WBR. In de akte wordt opgenomen dat voor de toepassing van de desbetreffende vrijstelling een beroep wordt gedaan op de desbetreffende goedkeuring (onder vermelding van datum, nummer en onderdeel van dit besluit). Verder geldt voor de in dit besluit opgenomen goedkeuringen het volgende. Door toepassing van artikel 9, vierde lid, of artikel 13 WBR kan het bedrag aan verschuldigde overdrachtsbelasting worden verminderd. Deze wettelijke vermindering geldt ook als bij een voorgaande verkrijging een tegemoetkoming op grond van een goedkeuring uit dit beleidsbesluit is verleend. Vermindering van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9, vierde lid, of artikel 13 WBR is uiteraard ongewenst als bij een voorgaande verkrijging de heffing op grond van een goedkeuring geheel of gedeeltelijk achterwege is gebleven. Daarom geldt voor elke in dit besluit opgenomen goedkeuring de voorwaarde dat de goedkeuring vervalt en dat de door de goedkeuring niet geheven belasting alsnog verschuldigd is, voor zover bij een toekomstige verkrijging ingevolge artikel 9, vierde lid, of artikel 13 WBR heffing van overdrachtsbelasting achterwege blijft. AWRAlgemene wet inzake rijksbelastingen BV Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Familielid Kind, pleegkind, kleinkind, broer en zuster, pleeg- en halfbroer en -zuster (of hun echtgenoot) van de overdragende ondernemer Echtgenoot Echtgenoot, geregistreerd partner Huwelijk Huwelijk, geregistreerd partnerschap NV Naamloze vennootschap Objectieve onderneming dan wel subjectieve onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 met inbegrip van het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen Onderneming Objectieve onderneming dan wel subjectieve onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001 met inbegrip van het buitenvennootschappelijke ondernemingsvermogen OZR Onroerendezaakrechtspersoon als bedoeld in artikel 4 WBR UBBRUitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer Wet IB 2001Wet inkomstenbelasting 2001 WBRWet op belastingen van rechtsverkeer

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel