Een verkrijging van onroerende zaken die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming in het kader van een bedrijfsoverdracht binnen de familiesfeer is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR). Als voorwaarde voor toepassing van de vrijstelling geldt onder meer dat de verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel (al dan niet in fasen) door de verkrijger(s) wordt voortgezet. De onderdelen 2.1 tot en met 2.7.3 bevatten het beleid over de toepassing van deze vrijstelling.
Bij een bedrijfsoverdracht kan de volgende situatie zich voordoen. Een ondernemer draagt zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, over aan een familielid. Dit familielid brengt de verkregen onderneming direct of korte tijd daarna in in een BV waarvan hij alle aandelen houdt. Deze inbreng staat de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR bij de voorafgaande overdracht in de weg. Immers de verkregen onderneming wordt wat de bedrijfsvoering betreft niet door het familielid zelf, maar door de BV voortgezet. Ik acht het niet gewenst dat de vrijstelling dan niet kan worden toegepast. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR van toepassing is bij een verkrijging van een onderneming door een familielid, die wordt gevolgd door de inbreng van die onderneming in een BV, waarvan dit familielid alle aandelen houdt.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
De inbreng van de onderneming in de BV vindt plaats met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, onder 2°, WBR. Daarbij moet aan alle vereisten van artikel 5 UBBR worden voldaan.
Aan de overige voorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR wordt voldaan.
De goedkeuring geldt niet wanneer de ondernemer zijn onderneming rechtstreeks overdraagt aan de BV van het familielid. Een BV behoort immers niet tot de beperkte kring van verkrijgers bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR.
Het is mogelijk dat een ondernemer zijn onderneming, exclusief het bedrijfspand, heeft ingebracht in een BV waarvan hij alle aandelen houdt. Het bedrijfspand verhuurt hij aan de BV.
Als de ondernemer in het kader van een bedrijfsopvolging zijn aandelen in de BV en het bedrijfspand overdraagt aan een familielid, is de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR niet van toepassing op de verkrijging van het bedrijfspand. Het bedrijfspand wordt immers niet overgedragen als onderdeel van de overdracht van een onderneming aan een familielid omdat de onderneming in een BV wordt uitgeoefend.
Bij een bedrijfsoverdracht kan de volgende situatie zich voordoen. Een ondernemer draagt zijn onderneming, inclusief onroerende zaken, over aan een familielid. Dit familielid brengt de verkregen onderneming direct of korte tijd daarna in in een personenvennootschap met een derde. Deze inbreng staat de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR bij de voorafgaande overdracht in de weg. Immers de verkregen onderneming wordt wat de bedrijfsvoering betreft niet in haar geheel door het familielid zelf voortgezet.
In de bovenstaande situatie is het ook denkbaar dat het familielid de verkregen onderneming inbrengt in een personenvennootschap met zijn of haar echtgenoot of aanstaande echtgenoot dan wel met een ander familielid van de oorspronkelijke ondernemer. Het is in dat geval niet mijn bedoeling om de bedrijfsoverdracht binnen de voor de vrijstelling geldende familiekring nodeloos te belemmeren. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR van toepassing is als het familielid na de verkrijging de onderneming inbrengt in een personenvennootschap.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende vier voorwaarden:
Het familielid brengt de verkregen onderneming in in een personenvennootschap met zijn of haar echtgenoot of aanstaande echtgenoot of met een ander familielid van de oorspronkelijke ondernemer.
De ingebrachte onderneming wordt uitsluitend voortgezet door het familielid samen met zijn of haar echtgenoot of aanstaande echtgenoot of samen met het familielid van de oorspronkelijke ondernemer.
Bij een voortzetting door het familielid samen met zijn of haar aanstaande echtgenoot geldt de goedkeuring uitsluitend als zij een huwelijk aangaan binnen zes maanden nadat het familielid de onderneming heeft verkregen.
Aan de overige voorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR wordt voldaan.
Een ondernemer kan zijn onderneming zodanig opdelen dat elk gedeelte een zelfstandige onderneming vormt. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR kan ook worden toegepast bij een overdracht van een op deze wijze gevormde zelfstandige onderneming. Als het verkrijgende familielid zelf al de beschikking heeft over voldoende opstallen om de onderneming voort te zetten of deze op korte termijn verkrijgt, is het mogelijk dat alleen de grond en niet de bijbehorende voor de bedrijfsvoering noodzakelijke opstallen aan dit familielid worden overgedragen. Er is dan geen sprake van een verkrijging van een zelfstandige onderneming. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR is dan niet van toepassing. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR van toepassing is, als de ondernemer wel de tot de onderneming behorende grond maar niet de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke opstallen overdraagt aan een familielid.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
De verkrijger heeft voor het uitoefenen van zijn onderneming op het tijdstip van de verkrijging al zelf de beschikking over voldoende opstallen of zal deze opstallen binnen drie maanden na dit tijdstip verkrijgen.
Het verkregen gedeelte van de oorspronkelijke onderneming vormt een zelfstandige onderneming samen met de opstallen die de verkrijger al bezit of de opstallen die de verkrijger binnen drie maanden nog verkrijgt.
Aan de overige voorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR wordt voldaan.
Het is mogelijk dat een ondernemer, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, een onderneming drijft in de vorm van een personenvennootschap met een familielid. De ondernemer heeft de economische eigendom van het bedrijfspand ingebracht in de vennootschap. In het vennootschapscontract is onder meer bepaald dat bij het overlijden van één van de vennoten het vennootschapsaandeel verblijft aan de langstlevende vennoot. Over de juridische eigendom is geen regeling in het vennootschapscontract opgenomen.
Na het overlijden van de ondernemer levert de echtgenoot, als erfgenaam van de ondernemer, het onverdeelde aandeel in de onderneming aan het familielid dat de onderneming voortzet. Vervolgens levert de echtgenoot de juridische eigendom van het bedrijfspand aan het familielid. Deze levering kan in de gegeven omstandigheden worden beschouwd als de laatste stap van de bedrijfsoverdracht. De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR is hier echter niet van toepassing omdat de echtgenoot niet zelf de ondernemer is en er daardoor geen sprake kan zijn van een verkrijging van een ondernemer. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR van toepassing is als de echtgenoot van de overleden ondernemer, naast het vennootschapsaandeel, ook de juridische eigendom van het bedrijfspand levert aan het familielid.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden:
Het familielid heeft met toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR het onverdeelde aandeel van de erflater in de economische eigendom van het bedrijfspand verkregen ter uitvoering van een vermogensbeding in de vennootschapsakte.
De echtgenoot van de ondernemer levert de onverdeelde helft van de onderneming aan het familielid ter uitvoering van een vermogensbeding in de vennootschapsakte.
Aan de overige voorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR wordt voldaan.
De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR is niet van toepassing als een ondernemer door hem gepachte onroerende zaken in eigendom verkrijgt en deze overdraagt aan een familielid, als de ondernemer de onderneming waaraan de gepachte onroerende zaken dienstbaar waren al op een eerder moment aan dit familielid heeft overgedragen. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR van toepassing is als een ondernemer, nadat hij de eigendom heeft verkregen van eerder door hem gepachte onroerende zaken, de eigendom van die onroerende zaken levert aan een familielid. Deze ‘doorlevering’ kan in dit geval worden aangemerkt als een gefaseerde bedrijfsoverdracht.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden.
De ondernemer heeft de onderneming reeds voorafgaand aan de levering van de (voorheen) gepachte onroerende zaken overgedragen aan hetzelfde familielid.
Aan de overige voorwaarden van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR wordt voldaan.
De vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR kan onder voorwaarden ook worden toegepast bij verkrijging binnen de familiesfeer van aandelen in een OZR, mits daarin een materiële onderneming wordt gedreven. Dit volgt uit de zogenoemde doorkijkarresten van de Hoge Raad van 30 november 2018.5Zie HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2110 en 2200. Voorwaarde is onder meer dat, doordat al dan niet in fasen alle aandelen worden verkregen, de volledige zeggenschap in die onderneming op de verkrijger of verkrijgers van de aandelen overgaat. De vrijstelling geldt daarom niet bij een verkrijging van aandelen in een OZR waarbij (uiteindelijk) een belang van minder dan 100% overgaat op de verkrijger of verkrijgers en ook niet bij verkrijging van certificaten van aandelen (zie onderdeel 2.7.3). Voorts gaat de bedoelde doorkijkbenadering niet zover dat een verkrijging van een aandelenbelang van minder dan 100% kan worden gelijkgesteld met de verkrijging van een deelneming die een subjectieve onderneming in de vorm van een deelgerechtigdheid in een personenvennootschap vertegenwoordigt. De genoemde doorkijkarresten bieden geen ruimte voor een dergelijke benadering. Tot slot geldt de vrijstelling alleen voor zover de onroerende zaken behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming van deze vennootschap.
In het geval een aandelenbelang van 100% (en daarmee de volledige zeggenschap) wordt verkregen in een OZR die op zijn beurt een aandelenbelang van 100% (en daarmee de volledige zeggenschap) heeft in een dochtervennootschap die een materiële onderneming drijft, kan de vrijstelling ook van toepassing zijn op de onroerende zaken die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming van deze dochtervennootschap. Opgemerkt wordt nog dat in dat geval de vrijstelling ook van toepassing kan zijn op een door de OZR aan de 100% dochtervennootschap verhuurde onroerende zaak die dienstbaar is aan de onderneming van die dochtervennootschap.
De vrijstelling kan ook van toepassing zijn bij de verkrijging van alle aandelen in een OZR die fungeert als vennoot in een personenvennootschap, zoals een maatschap, een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap, indien en voor zover deze personenvennootschap een materiële onderneming drijft waaraan onroerende zaken dienstbaar zijn. De deelgerechtigdheid in de personenvennootschap vormt in dit geval een subjectieve onderneming van de OZR.
Voorbeeld
Vader houdt alle aandelen in een OZR. Deze OZR is vennoot van een personenvennootschap en bezit onroerende zaken die dienstbaar zijn aan de door de personenvennootschap uitgeoefende materiële onderneming. Vader draagt alle aandelen in de OZR over aan zijn dochter, die daarmee de volledige zeggenschap in de OZR verkrijgt. De vrijstelling kan worden toegepast op de waarde van het aan de OZR toekomende aandeel in de onroerende zaken die behoren tot en dienstbaar zijn aan de onderneming van de personenvennootschap.
De vrijstelling is niet van toepassing in geval van een verkrijging door een familielid van certificaten van aandelen in een OZR. Met de certificaten wordt immers niet de zeggenschap over de onderneming in de OZR verkregen maar slechts het economisch belang bij deze onderneming. Hierdoor wordt niet voldaan aan de eis dat de onderneming voor wat betreft de bedrijfsvoering in zijn geheel door de verkrijger wordt voortgezet. Ook in het geval op grond van een op voorhand opgesteld plan de zeggenschap tot de onderneming in de toekomst bij het familielid terecht komt, geldt de vrijstelling niet. Omdat er bij de overdracht van certificaten namelijk geen zeggenschap wordt overgedragen, kan er ook geen sprake zijn van een fasegewijze voortzetting van de onderneming door het familielid in de zin van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR.
Artikel 2
Bedrijfsoverdracht (artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR)
Onderdeel van Besluit Ondernemingsfaciliteiten· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 6 november 2024