Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Bedrijfsfusie (artikel 15, eerste lid, onderdeel h, WBR).

Onderdeel van Besluit Ondernemingsfaciliteiten· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 6 november 2024

Een verkrijging bij een bedrijfsfusie is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (artikel 15, eerste lid, onderdeel h, WBR). De voorwaarden bij deze vrijstelling zijn nader uitgewerkt in artikel 5a UBBR. De onderdelen 4.1 en 4.2 bevatten het beleid over de toepassing van deze vrijstelling. Voor de toepassing van de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel h, WBR in samenhang met artikel 5a UBBR geldt een voortzettingseis voor de bij de fusie verkregen onderneming (artikel 5a, vierde lid, UBBR). Als niet aan de voortzettingseis wordt voldaan is de belasting die door toepassing van de vrijstelling niet is geheven alsnog verschuldigd. Artikel 5a, zesde lid, UBBR bevat een uitzondering op de voortzettingseis. Op grond hiervan wordt de belasting niet alsnog verschuldigd bij een vervreemding van de bij de fusie verkregen onderneming in het kader van een voor de overdrachtsbelasting vrijgestelde fusie als bedoeld in artikel 5a, een interne reorganisatie als bedoeld in artikel 5b, dan wel een splitsing als bedoeld in artikel 5c UBBR. De vraag is opgekomen of het bepaalde in artikel 5a, vierde lid, UBBR ook buiten toepassing kan blijven in geval van een vervreemding van de bij de fusie verkregen onderneming onder achterlating van de onroerende zaken. Over de vraag of de tekst van artikel 5a, zesde lid, UBBR dit toestaat bestaat discussie. Er is echter geen bezwaar om in dit geval de uitzonderingsbepaling onder voorwaarden toe te passen. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur onder voorwaarden goed dat het bepaalde in artikel 5a, vierde lid, UBBR, buiten toepassing blijft in geval de vennootschap die de onderneming bij de fusie heeft verkregen, de onderneming niet gedurende een periode van ten minste drie jaren na de fusie voortzet als gevolg van een vervreemding van de onderneming onder achterlating van vermogensbestanddelen, waaronder ten minste de onroerende zaken bij de hiervoor bedoelde vennootschap. Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden. De vennootschap die de onderneming bij de fusie (door inbreng) heeft verkregen blijft gedurende de resterende periode van ten minste drie jaren na de fusie in het bezit van de aandelen in de vennootschap die de onderneming als gevolg van de vervreemding verkrijgt. Dit betreft zowel alle aandelen die de eerstgenoemde vennootschap op het moment van vervreemding van de onderneming in die vennootschap houdt als alle aandelen die ter zake van de vervreemding zijn verkregen. De onderneming wordt gedurende dezelfde resterende periode als die bedoeld in voorwaarde a voortgezet door de vennootschap die de onderneming als gevolg van de vervreemding heeft verkregen, dan wel door een vennootschap die gedurende die resterende periode behoort tot hetzelfde concern als bedoeld in artikel 5b, tweede en negende lid, UBBR, als de eerstgenoemde vennootschap. Het kan wenselijk zijn de in verband met een gefaciliteerde bedrijfsfusie verkregen aandelen te certificeren door overdracht van de aandelen aan een administratiekantoor. Deze overdracht vindt plaats tegen afgifte van certificaten van aandelen. In het geval de overdracht plaatsvindt binnen drie jaren na de bedrijfsfusie, wordt niet meer voldaan aan de aanhoudingseis van artikel 5a, derde lid, UBBR. De door toepassing van de vrijstelling niet geheven overdrachtsbelasting is dan alsnog verschuldigd. Dit acht ik niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur onder voorwaarden goed dat de aanhoudingseis bedoeld in artikel 5a, derde lid, UBBR buiten toepassing blijft in geval van overdracht van de aandelen aan een administratiekantoor tegen afgifte van certificaten van aandelen (certificering). Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden. De certificaten kunnen worden vereenzelvigd met de onderliggende aandelen. Voor wat betreft de uitleg van het begrip ‘vereenzelviging’ en voor de omschrijving van de daarbij te stellen voorwaarden wordt aangesloten bij onderdeel 4.4 van het besluit van 9 maart 2018, nr. 2018-27139 (Stcrt. 2018, 15751). Voor de resterende periode van drie jaren na de fusie geldt het volgende. Het bepaalde in artikel 5a, derde en vijfde lid, UBBR is van overeenkomstige toepassing op zowel de verkregen certificaten van aandelen als op de onderliggende aandelen in bezit van het administratiekantoor.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel