Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Teruggaaf van gestort kapitaal

Onderdeel van Verzamelbesluit dividendbelasting 2025· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 18 oktober 2025

In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965 is bepaald dat een gedeeltelijke teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort, voor zover sprake is van zuivere winst, heeft te gelden als een opbrengst. Dit is anders indien de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag worden verminderd. Hieronder staat mijn beleid ten aanzien van de teruggaaf van gestort kapitaal. Het gaat om de volgende onderwerpen: De voorwaarden voor onbelaste teruggaaf. Het effect van teruggaaf op fiscaal erkend gestort kapitaal. In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965 is bepaald dat een gedeeltelijke teruggaaf van het gestorte kapitaal is belast, voor zover sprake is van zuivere winst. Deze hoofdregel is opgenomen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, waarbij gepoogd wordt belaste winstuitkeringen juridisch vorm te geven als terugbetalingen van kapitaal. Hierop geldt een uitzondering als (i) van tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en (ii) de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag wordt verminderd. Voor deze uitzondering geldt, gelet op het doel van deze bepaling om oneigenlijk gebruik te voorkomen, een strikte benadering. Hieruit volgt dat (a) op het tijdstip van de teruggaaf duidelijkheid moet bestaan over de fiscale gevolgen verbonden aan de teruggaaf,7HR 8 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AY2684 (BNB 1955/293) en HR 3 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4545 (BNB 1991/150). en (b) de verschillende handelingen zoals beschreven in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965 in samenhang en kort na elkaar moeten plaatsvinden. Hiervan is geen sprake in de volgende situatie: Er vindt eenmalig een statutenwijziging en een algemene vergadering van aandeelhouders plaats. Hierin wordt voor een reeks van jaren besloten tot periodieke betalingen. De omvang en het tijdstip van de individuele betalingen staan niet vast en zijn afhankelijk van toekomstige resultaten. Voornoemde betalingen voldoen niet aan de voorwaarden van de uitzondering en zijn dus belast voor zover er zuivere winst is.8Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:024:2022:5, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. Wanneer een teruggaaf van kapitaal wordt beschouwd als een opbrengst in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965 komt de vraag op of dat gevolgen heeft voor het fiscaal erkend gestorte kapitaal van de inhoudingsplichtige. Ik ben van mening dat een dergelijke belaste teruggaaf niet leidt tot een vermindering van het fiscaal erkend gestorte kapitaal. Zou dit wel het geval zijn, dan kan de situatie ontstaan dat winst twee keer wordt belast met dividendbelasting. Ik licht dat toe aan de hand van het volgende voorbeeld. A BV heeft eind 2018 een fiscaal erkend kapitaal van EUR 11 miljoen en betaalt ter grootte van EUR 10 miljoen een gedeelte van dat kapitaal terug. Op het moment van de terugbetaling verwachtte A BV begin 2019 voor eenzelfde bedrag als de terugbetaling winst te realiseren. De nominale waarde van de desbetreffende aandelen is door A BV niet verminderd. Nadat de winst in 2019 daadwerkelijk is gerealiseerd, wordt A BV geliquideerd. De liquidatie-uitkering bedraagt EUR 11 miljoen. De teruggaaf in 2018 is belast volgens artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965, omdat zuivere winst ook binnen afzienbare tijd te verwachten winst omvat9Zie HR 9 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5200 (BNB 1993/68). en de nominale waarde van de aandelen niet met een gelijk bedrag is verminderd. Zou het fiscaal erkend gestorte kapitaal als gevolg van de teruggaaf eind 2018 worden verminderd naar EUR 1 miljoen, dan zou de liquidatie-uitkering in 2019 volgens artikel 3, eerste lid, onderdeel b, Wet DB 1965 voor EUR 10 miljoen worden belast. De uitkering overstijgt dan immers voor EUR 10 miljoen het gestorte kapitaal. Resultaat is dat over dezelfde zuivere winst twee keer dividendbelasting verschuldigd zou zijn. Het hiervoor beschreven resultaat van dubbele heffing, door toepassing van de fictie van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965, is ongewenst. De fictie bepaalt namelijk dat in plaats van kapitaal winst wordt uitgekeerd. Deze (fictieve) uitkering van winst mag dan geen effect hebben op het fiscaal erkend gestorte kapitaal van de vennootschap. In het genoemde voorbeeld is daarom geen sprake van een belaste liquidatie-uitkering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel