Voor de verrekening van de geheven dividendbelasting als voorheffing op de voet van artikel 25 Wet Vpb 1969 of artikel 9.2 Wet IB 2001 of teruggaaf van de geheven dividendbelasting is vereist dat de dividendbelasting is geheven of ten laste is gekomen van de betreffende belastingplichtige. In het geval dat een inhoudingsplichtige de verschuldigde dividendbelasting niet verhaalt maar voor eigen rekening neemt, dan moet de inhoudingsplichtige bruteren op grond van artikel 6 Wet DB 1965. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij een belaste inkoop van beursaandelen of de betaling van een overeengekomen netto-dividend.
Toepassing van artikel 6 Wet DB 1965 leidt er niet toe dat de subjectieve belastingplicht voor de dividendbelasting wordt verlegd naar de inhoudingsplichtige. De aandeelhouder blijft subjectief belastingplichtig op grond van artikel 1, eerste lid, Wet DB 1965.10Vgl. Handelingen TK, 1957–1958, 60ste vergadering, 6 mei 1958, blz. 1033, linkerkolom. Artikel 6 Wet DB 1965 is slechts een rekenvoorschrift om bij brutering op eenvoudige wijze de opbrengst te berekenen.
Een opbrengstgerechtigde (belastingplichtige) heeft dan ook voor een gebruteerde opbrengst, als ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan, recht op verrekening van de dividendbelasting als voorheffing op de voet van artikel 25 Wet Vpb 1969 of artikel 9.2 Wet IB 2001 of recht op een teruggaaf van de dividendbelasting.11In tegenstelling tot de uitspraak van Hof Amsterdam van 8 december 1967, ECLI:NL:GHAMS:1967:AX5390, BNB 1969/24. Daarvoor is uiteraard wel vereist dat de belastingplichtige er van op de hoogte is dat dividendbelasting is ingehouden. Dat is bij de inkoop van beursaandelen doorgaans niet het geval, maar kan zich wel voordoen bij een uitkering waarbij partijen hebben afgesproken dat de uitkerende vennootschap de dividendbelasting voor haar rekening zal nemen.
Artikel 9
Recht op teruggaaf of verrekening bij brutering
Onderdeel van Verzamelbesluit dividendbelasting 2025· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 18 oktober 2025