Naar hoofdinhoud

Artikel 13

Negende standaardvoorwaarde

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 5 november 2025

De vennootschap komt binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip tot stand en de inbreng vindt eveneens binnen deze termijn plaats. Het tijdstip van overgang van de heffing van inkomstenbelasting naar de heffing van vennootschapsbelasting – het overgangstijdstip – wordt in beginsel overeenkomstig wet en jurisprudentie bepaald. Dat betekent dat het overgangstijdstip niet kan liggen vóór het moment waarop de voorovereenkomst is gesloten (HR 4 november 1953, ECLI:NL:HR:1953:AY4077). Wanneer de voorovereenkomst is gesloten en binnen negen maanden na het laatste volledige boekjaar van de belastingplichtige ontvangen is door de Belastingdienst, Postbus 13 te 6400 AA Heerlen, wordt om praktische redenen op verzoek medewerking verleend aan een omzetting met terugwerkende kracht met ingang van de eerste dag van het op het laatste volledige boekjaar volgende boekjaar. Terugwerkende kracht naar een andere datum wordt niet toegestaan. De hiervoor vermelde termijn van negen maanden wordt strikt gehanteerd. Legalisatie door een notaris kan niet worden gelijkgesteld met de tijdig door de Belastingdienst ontvangen voorovereenkomst. Terugwerkende kracht wordt echter niet verleend als dat tot gevolg heeft dat een incidenteel fiscaal voordeel wordt beoogd of behaald. Van een incidenteel fiscaal voordeel is in het kader van deze goedkeuring van terugwerkende kracht sprake als een regimeovergang leidt tot een (aanzienlijke) vermindering van belasting in vergelijking met de belasting die verschuldigd zou zijn zonder terugwerking, of als een regimewijziging zelf slechts incidenteel is en dáárdoor incidenteel fiscaal voordeel ontstaat. Van een incidenteel fiscaal voordeel is in ieder geval sprake als in de beoogde periode van terugwerkende kracht een incidentele bate is gerealiseerd van € 100.000 of meer. Een apotheker drijft zijn onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Op enig moment bedenkt en ontwikkelt de ondernemer een medicijn. Voor dit medicijn worden octrooirechten verkregen. De ondernemer besluit de rechten te verkopen. De verkoop vindt plaats in maart 2025 voor een bedrag van € 1.000.000. Hij besluit de onderneming om te zetten in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en doet een verzoek om toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001. Hij vraagt daarbij om terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025. In deze situatie is er sprake van een incidentele bate. De wijziging naar een ander regime met terugwerkende kracht leidt tot een aanzienlijke belastingvermindering in 2025. Het is mogelijk dat de oprichter eenzijdig een intentieverklaring opstelt en verstuurt aan de Belastingdienst Heerlen waarin hij zijn voornemen tot uitdrukking brengt. Aan deze intentieverklaring zullen onder dezelfde voorwaarden dezelfde gevolgen worden verbonden als aan een voorovereenkomst. Gelijke behandeling als een tijdig ontvangen voorovereenkomst geldt voor een situatie waarin vaststaat dat: het verzoek om toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 met de hierbij te overleggen stukken binnen die termijn door de inspecteur is ontvangen, of binnen die termijn door een notaris een akte van depot of andere notariële akte is opgemaakt waarin het voornemen tot het oprichten van een vennootschap tot uitdrukking komt. Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat de belastingplichtige bij een geruisloze omzetting met terugwerkende kracht geen aanspraak kan maken op ondernemersfaciliteiten over de zogenoemde voor-voorperiode aangezien in de derde standaardvoorwaarde uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat de onderneming wordt geacht rechtstreeks voor rekening en risico van de vennootschap te zijn uitgeoefend vanaf het overgangstijdstip. In afwijking op het voormelde keur ik echter goed dat een belastingplichtige die een S&O-verklaring heeft ontvangen, het bedrag van de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk in aftrek mag brengen op het inkomen uit werk en woning van het jaar waarin de (voor-) voorperiode van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid valt en waarop de S&O-verklaring betrekking heeft. Hierbij geldt als voorwaarde dat, als de onderneming niet voor rekening en risico van de op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zou zijn gedreven, de belastingplichtige voor dat jaar in aanmerking zou zijn gekomen voor de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk. De oprichting van de vennootschap en de inbreng moeten plaatsvinden binnen vijftien maanden na het overgangstijdstip. Onder inbreng van de onderneming wordt verstaan de eigendomsoverdracht van de bestanddelen van het ondernemingsvermogen. Deze termijn wordt strikt gehanteerd. Dit geldt ook voor gevallen waarin de voorwaarden waaronder de geruisloze omzetting kan plaatsvinden, niet zijn vastgesteld voor het verstrijken van bedoelde termijn. De belastingplichtige die een geruisloze omzetting van zijn onderneming in een vennootschap overweegt, moet daarom tijdig maatregelen treffen. Om die reden is het van belang het volledige verzoek om geruisloze omzetting zo spoedig mogelijk bij de inspecteur in te dienen. Als de oprichting en de inbreng niet binnen een termijn van vijftien maanden na het in de voorovereenkomst vermelde overgangstijdstip hebben plaatsgevonden, bestaat er geen bezwaar tegen het kiezen van een ander overgangstijdstip. Het nieuwe overgangstijdstip kan dan liggen op of na de datum van de voorovereenkomst. Uiteraard geldt de termijn van vijftien maanden ook voor het nieuwgekozen overgangstijdstip.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel