Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Inbreng in een bestaande vennootschap

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 5 november 2025

In het eerder vermelde arrest van 27 januari 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3745, heeft de Hoge Raad voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 uitgesproken dat een geruisloze omzetting uitsluitend toepassing kan vinden in geval van inbreng in een daartoe op te richten vennootschap. Dat is voor mij aanleiding voor de volgende goedkeuringen. Ik keur goed dat artikel 3.65 Wet IB 2001 ook van toepassing is op de inbreng van een onderneming in een bestaande vennootschap. De vennootschap moet dan wel reeds op het overgangstijdstip feitelijk een onderneming drijven waarvan de activiteiten in dezelfde lijn liggen als die van de om te zetten onderneming. Aanvullend keur ik goed dat de onderneming wordt ingebracht in een bestaande vennootschap zonder activiteiten. Dit omdat ook dan de feitelijke activiteiten van de bestaande vennootschap direct na die inbreng uitsluitend in dezelfde lijn liggen als die van de in te brengen onderneming. De derde standaardvoorwaarde uit dit besluit blijft onverkort van toepassing. Bij inbreng van een onderneming in een bestaande vennootschap moet de inbrenger reeds op het overgangstijdstip enig aandeelhouder zijn. De toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 op de gelijktijdige inbreng van de subjectieve ondernemingen van enkele of alle deelnemers in een samenwerkingsverband in dezelfde bestaande vennootschap, is wel toegestaan. Bij de inbreng door deelnemers in een samenwerkingsverband moet men zich houden aan de voor toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 geldende eis dat de inbrengers in het aandelenkapitaal van de vennootschap geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd moeten zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming. Zie ook onderdeel 2.2.2.c.2 van dit besluit. Bij de geruisloze inbreng in een vennootschap die behoort tot een bestaande fiscale eenheid (artikel 15 Wet Vpb 1969), moet – met inachtneming van het in onderdeel 3.2 bepaalde – de onderneming worden ingebracht in de moedermaatschappij waarvan de aandelen onmiddellijk in handen zijn van de inbrenger(s). Voor de beoordeling van de vraag of de activiteiten op het overgangstijdstip in dezelfde lijn liggen, kunnen de activiteiten van de dochtervennootschappen die deel uitmaken van de fiscale eenheid, aan de moedermaatschappij worden toegerekend. Het voegingstijdstip van de fiscale eenheid moet dan liggen voor of op het overgangstijdstip. Binnen de fiscale eenheid kan de onderneming ook aan een tot de fiscale eenheid behorende nieuw opgerichte dochtervennootschap of reeds bestaande dochtervennootschap zonder activiteiten worden overgedragen. De derde standaardvoorwaarde uit dit besluit blijft onverkort van toepassing. In andere dan de in onderdeel 3.3 bedoelde gevallen waarin de onderneming wordt ingebracht in een bestaande houdstermaatschappij, zullen de feitelijke activiteiten van deze bestaande vennootschap (het houden van aandelen en eventueel het besturen van andere vennootschappen) vrijwel nooit in dezelfde lijn liggen als de activiteiten van de in te brengen onderneming. Artikel 3.65 Wet IB 2001 kan ter zake van inbreng in zo'n vennootschap in beginsel niet plaatsvinden. Ik keur echter goed dat een dergelijke geruisloze inbreng toepassing vindt, mits: reeds op het overgangstijdstip de belastingplichtige alle aandelen in de bestaande houdstermaatschappij onmiddellijk in handen heeft, en reeds op het overgangstijdstip de bestaande houdstermaatschappij onmiddellijk of middellijk alle aandelen in handen heeft van een dochtervennootschap waarvan de feitelijke activiteiten reeds op het overgangstijdstip in dezelfde lijn liggen als die van de in te brengen onderneming, en de inbreng in de houdstermaatschappij onmiddellijk wordt gevolgd door een overdracht van de ingebrachte onderneming aan die bestaande dochtervennootschap, en deze overdracht plaatsvindt met toepassing van artikel 14 of 14a Wet Vpb 1969, en alleen wanneer deze overdracht plaatsvindt tegen uitreiking van gewone aandelen. In gevallen waarin de inbreng in een houdstermaatschappij plaatsvindt door een samenwerkingsverband is ook aan voorwaarde b voldaan als de inbreng plaatsvindt van twee of meer subjectieve ondernemingen binnen hetzelfde samenwerkingsverband in meerdere bestaande houdstermaatschappijen. De houdstermaatschappijen dienen dan wel gezamenlijk de aandelen van de dochtervennootschap te bezitten en de inbreng in de houdstermaatschappijen dient direct te worden gevolgd door een overdracht van de ingebrachte onderneming aan de dochtervennootschap met toepassing van artikel 14 of 14a Wet Vpb 1969. Voorwaarde d wordt toegelicht in onderdeel 4.2.2 van dit besluit. Bovenstaande goedkeuring is van overeenkomstige toepassing bij: een bestaande dochtermaatschappij zonder activiteiten; een dochtermaatschappij die nieuw wordt opgericht en waarvan de houdstermaatschappij (middellijk) alle aandelen verkrijgt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel