Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Algemeen

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 5 november 2025

Artikel 3.65 Wet IB 2001 bevat de wettelijke regeling voor de tegemoetkoming bij omzetting van een door een natuurlijke persoon gedreven onderneming in een door een vennootschap gedreven onderneming. Deze tegemoetkoming houdt in dat de bestaande inkomstenbelastingclaim wordt doorgeschoven en omgezet in een gecombineerde vennootschaps- en inkomstenbelastingclaim. De vennootschapsbelastingclaim bestaat met name uit het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de fiscale boekwaarde van de vermogensbestanddelen op het overgangstijdstip. De inkomstenbelastingclaim bestaat uit de aanmerkelijkbelangclaim over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de aandelen en de verkrijgingsprijs daarvan op het overgangstijdstip. De belastingplichtige heeft na de omzetting een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.6 respectievelijk 4.11 Wet IB 2001. Naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen met een in aandelen verdeeld kapitaal kunnen onder voorwaarden eveneens in aanmerking komen voor de regeling van artikel 3.65 Wet IB 2001. Zie ook onderdeel 15.5 van dit besluit. In het arrest van 27 januari 19882ECLI:NL:HR:1988:ZC3745., heeft de Hoge Raad uitgesproken dat het begrip onderneming voor de toepassing van de geruisloze omzetting in subjectieve zin moet worden opgevat. Dit betekent dat de geruisloze omzetting ook kan worden toegepast bij de inbreng van een onderneming bestaande uit de deelgerechtigdheid in het vermogen van een samenwerkingsverband. Daarbij zijn de eisen van belang die artikel 3.65, eerste lid, tweede zin, Wet IB 2001 aan de medegerechtigde(n) stelt om voor de faciliteit in aanmerking te kunnen komen. Niet van belang is of andere deelnemers in het samenwerkingsverband hun onderneming eveneens omzetten in een vennootschap en evenmin of deze eventuele omzetting ruisend dan wel geruisloos plaatsvindt. Geruisloze omzetting kan alleen plaatsvinden als een onderneming wordt ingebracht in een vennootschap. Het hoeft daarbij niet te gaan om de gehele onderneming zoals deze bestond op het overgangstijdstip. De Hoge Raad heeft namelijk voor de geruisloze omzetting beslist dat deze faciliteit ook van toepassing is als in de periode tussen het overgangstijdstip en het moment van daadwerkelijke inbreng in de vennootschap, een (wezenlijk) deel van de onderneming is vervreemd aan een derde. Een wijziging in de aard of de omvang van de onderneming(sactiviteiten) na het gewenste overgangstijdstip is dus toegestaan. Voorwaarde is wel dat het resterende deel van de onderneming nog steeds een onderneming in de zin van de Wet IB 2001 vormt3HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3290 en ECLI:NL:HR:2003:AF:8535.. Dit betekent dat de inbreng van een verhuurde onderneming in het algemeen niet zal kwalificeren. Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 20044ECLI:NL:HR:2004:AI0737. waarin werd beslist dat van een inbreng van een onderneming geen sprake is als de vennootschap in oprichting met een derde een overeenkomst tot verhuur van de onderneming sluit. Dat de inbrenger de baten in de inkomstenbelastingsfeer nog als winst aan kan merken doet daar niet aan af. Dit is slechts anders als de verhuurde onderneming op zichzelf als een onderneming kwalificeert of als de inbrenger/verhuurder door de bepalingen van de huurovereenkomst, zodanig het belang behoudt bij de waardeontwikkeling van de vermogensbestanddelen van de verhuurde onderneming dat hij als medegerechtigde tot het vermogen van de onderneming geldt5ECLI:NL:GHAMS:2022:3203.. De medegerechtigdheid moet dan wel ook de rechtstreekse voortzetting vormen van het ondernemerschap met betrekking tot die (verhuurde) onderneming. Voor vestiging van een winstrecht geldt op overeenkomstige wijze wat hiervoor is opgemerkt over verhuur van de onderneming. In de situatie waarin één objectieve onderneming van een inbrenger zou kunnen worden gesplitst in twee of meer zelfstandige onderdelen, is het niet toegestaan slechts één zelfstandig onderdeel in te brengen en het andere onderdeel/de andere onderdelen in de inkomstenbelasting als ondernemer te blijven uitoefenen. De bedoeling van de faciliteit is de onderneming die niet in de vorm van een naamloze of besloten vennootschap wordt gedreven, om te zetten in een wel in zodanige vorm gedreven onderneming. Het is wel toegestaan om voorafgaand aan de geruisloze omzetting vermogensbestanddelen te onttrekken dan wel te vervreemden, mits na die wijzigingen een onderneming in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001 wordt omgezet in een naamloze of besloten vennootschap (zie hierna onderdeel 4.1 en onderdeel 2.2.2.a. hiervoor). Geruisloze omzetting van een onderneming is dus niet toegestaan als hetgeen achterblijft als objectieve onderneming in de zin van de Wet IB 2001 kwalificeert. Zie in dit verband ook het arrest van de Hoge Raad van 10 april 20206ECLI:NL:HR:2020:645.. Artikel 3.65 Wet IB 2001 regelt de omzetting van een onderneming van de ene rechtsvorm in een andere. Daarvan is geen sprake als twee of meer ondernemingen in dezelfde vennootschap worden samengebracht. Dit is voor mij aanleiding voor de volgende goedkeuringen. Ik keur goed dat één ondernemer twee of meer door hem gedreven objectieve ondernemingen gelijktijdig in dezelfde op te richten vennootschap kan inbrengen, mits op het overgangstijdstip de activiteiten van de in te brengen ondernemingen in dezelfde lijn liggen. Ook keur ik goed dat enkele of alle deelnemers in hetzelfde samenwerkingsverband hun subjectieve ondernemingen gezamenlijk in één vennootschap kunnen inbrengen. Gelet op het subjectieve ondernemingsbegrip kunnen de ondernemingen naar keuze geruisloos of ruisend worden omgezet. Toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 brengt met zich dat de oprichters van de vennootschap via het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd moeten zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming(en). Het is niet toegestaan dat door de omzetting onder de werking van artikel 3.65 Wet IB 2001 de gerechtigdheid tot de aanwezige stille en fiscale reserves zonder heffing van inkomstenbelasting middellijk verder wordt overgedragen aan een andere deelnemer van hetzelfde samenwerkingsverband dan past binnen de in de vorige zin aangegeven kaders. Dit brengt mee dat de partijen bij deze inbreng op zakelijke basis moeten handelen. Het gehele ondernemingsvermogen van elk van de geruisloze inbrengers, met uitzondering van de toegestane crediteringen en eventueel te bedingen lijfrente(n), zullen zij moeten omzetten in bij elk van hen te plaatsen aandelenkapitaal. De inspecteur stelt de voorwaarden voor toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 voor elk van de inbrengers afzonderlijk vast. Ik heb er geen bezwaar tegen dat; een doorschuiving bij staking door ontbinding van een huwelijksgemeenschap op de voet van artikel 3.59 Wet IB 2001, een doorschuiving bij staking door overlijden op de voet van artikel 3.62 Wet IB 2001, een doorschuiving naar ondernemers of werknemers als bedoeld in artikel 3.63 Wet IB 2001 of een overgang van een werkzaamheid in een onderneming als bedoeld in artikel 3.99 Wet IB 2001, direct wordt gevolgd door een omzetting van de overgedragen onderneming in een door een vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in artikel 3.65 Wet IB 2001.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel