Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Onttrekkingen en voortzetting van de onderneming

Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 5 november 2025

Als ervan wordt uitgegaan dat de eerder genoemde 12 december 2003-arresten meebrengen dat in de voorperiode bepaalde vermogensbestanddelen (alsnog) naar het privévermogen kunnen worden overgebracht, is er geen reden om aan te nemen dat het in strijd met artikel 3.65 Wet IB 2001 zou zijn die vermogensbestanddelen direct buiten de geruisloze omzetting te houden door middel van een (directe) onttrekking. Hierbij speelt nog een rol dat een tot het verplichte ondernemingsvermogen behorend vermogensbestanddeel dan in zijn algemeenheid onder de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling gaat vallen. Gelet op het voorgaande keur ik voor zover nodig goed dat bij toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 vermogensbestanddelen worden onttrokken (mits het resterende deel nog steeds een onderneming vormt). Het kan daarbij zowel gaan om vermogensbestanddelen die tot het keuzevermogen (zouden) behoren, als om vermogensbestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen behoren. Wel merk ik op dat hetgeen wordt onttrokken bij toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001, na het overgangstijdstip van de onderneming bij de natuurlijk persoon niet tot gevolg mag hebben dat de natuurlijk persoon na het overgangstijdstip winst uit die onderneming zal blijven genieten. Zie in dit kader ook het arrest van de Hoge Raad van 10 april 20207ECLI:NL:HR:2020:645.. Als in verband met een directe onttrekking van vermogensbestanddelen stille reserves tot uitdrukking moeten worden gebracht, is met betrekking tot deze voordelen de stakingsaftrek van artikel 3.79 Wet IB 2001 niet van toepassing. Deze geldt immers slechts bij staking van de gehele onderneming. Wel kwalificeren deze voordelen voor de omzetting in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.129 Wet IB 2001. Ik keur goed dat het tijdstip voor de bepaling van de winst vanwege de in 4.1.1 vermelde onttrekking wordt gesteld op het moment onmiddellijk voorafgaand aan het overgangstijdstip van de onderneming, onder de voorwaarde dat voor de toepassing van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden respectievelijk de heffingsgrondslag voor sparen en beleggen eveneens bij dit tijdstip wordt aangesloten. Voor de toepassing van de geruisloze omzetting is het niet noodzakelijk dat de onderneming gedurende een bepaalde periode wordt voortgezet. Slechts als de inbreng onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of de liquidatie van de onderneming, blijft artikel 3.65 Wet IB 2001 buiten toepassing. Daarvan is naar mijn mening bijvoorbeeld sprake als in samenhang met de inbreng de wijze van exploitatie van het ondernemingsvermogen zodanig verandert waardoor ten aanzien van de vennootschap waarin de activiteiten worden ingebracht geen sprake meer is van een voor rekening van die vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in artikel 3.4 Wet IB 2001. Ik verwijs in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0737. Ik keur goed dat sprake is van een omzetting als bedoeld in artikel 3.65 Wet IB 2001, hoewel de inbreng onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming, als de inbreng wordt gevolgd door een van de hierna onder a en b vermelde overdrachten: de vervreemding van de overgedragen onderneming aan een op de voet van artikel 15 Wet Vpb 1969 met de vennootschap gevoegde dochtervennootschap; de vervreemding van de overgedragen onderneming met toepassing van artikel 14 Wet Vpb 1969, met dien verstande dat deze vervreemding moet plaatsvinden tegen uitreiking van gewone aandelen. Vervreemding van de onderneming tegen uitreiking van aandelen waaraan zodanige beperkte rechten zijn verbonden dat zij niet delen in het liquidatiesaldo is in strijd met de grondgedachte bij artikel 3.65 Wet IB 2001, namelijk de omzetting van de bestaande onderneming. Dit geldt onder andere voor een ondernemer die alleen door middel van bijvoorbeeld cumulatief preferente aandelen gerechtigd is tot een onderneming. Immers, was hij voorheen gerechtigd tot de stille reserves en de goodwill van de onderneming, na de inbreng met toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 en de vervreemding met toepassing van artikel 14 Wet Vpb 1969 is hij dat niet meer. In de praktijk komt het voor dat alle maten/vennoten van hetzelfde samenwerkingsverband hun subjectieve ondernemingen met toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 inbrengen in afzonderlijke houdstermaatschappijen. Daarna vervreemden deze maatschappijen de ondernemingen met toepassing van artikel 14 Wet Vpb 1969 aan een door hen opgerichte werkmaatschappij. Daarbij kunnen problemen ontstaan als de verhouding tussen het ondernemingsvermogen van de maten/vennoten afwijkt van de winstverhouding in het samenwerkingsverband. In die situaties heb ik er geen bezwaar tegen dat de vervreemding van de subjectieve ondernemingen bijvoorbeeld plaatsvindt tegen uitreiking van cumulatief preferente aandelen (voorbeeld 1 en 2), dan wel letteraandelen (voorbeeld 3). Het ondernemingsvermogen van de vennoten A, B en C bedraagt respectievelijk € 60.000, € 40.000 en € 100.000. De winstverhouding in het samenwerkingsverband bedraagt respectievelijk 1/3:1/3:1/3. Wil men deze winstverhouding in de werkmaatschappij handhaven, dan kunnen aan de houdstermaatschappijen A, B en C elk € 40.000 gewone aandelen worden uitgereikt. Daarnaast worden aan houdstermaatschappij A € 20.000 en aan houdstermaatschappij C € 60.000 aan cumulatief preferente aandelen uitgereikt. Het ondernemingsvermogen van de vennoten A, B en C bedraagt respectievelijk € 60.000, € 40.000 en € 100.000. De winstverhouding in het samenwerkingsverband bedraagt respectievelijk 20:20:60. Wil men deze winstverhouding in de werkmaatschappij handhaven, dan kunnen aan de houdstermaatschappijen A en B elk € 33.300 aan gewone aandelen worden uitgereikt en aan houdstermaatschappij C voor € 100.000. Daarnaast worden aan houdstermaatschappij A € 26.700 en aan houdstermaatschappij B € 6.700 cumulatief preferente aandelen uitgereikt. Het ondernemingsvermogen van de vennoten A, B en C bedraagt respectievelijk € 60.000, € 40.000 en € 100.000. De winstverhouding in het samenwerkingsverband bedraagt respectievelijk 1/3:1/3:1/3. Bij een gelijkblijvende winstverhouding worden aan de houdstermaatschappijen A, B en C elk voor € 40.000 gewone aandelen a pari uitgereikt. Aan A worden voor de hogere waarde van zijn storting letteraandelen A toegekend met nominale waarde één eurocent en een agio(reserve) van € 20.000, C ontvangt letteraandelen C met een nominale waarde van één eurocent en een agio(reserve) van € 60.000. Het ondernemingsvermogen van de vennoten A, B en C bedraagt respectievelijk € 60.000, € 40.000 en € 100.000. De winstverhouding in het samenwerkingsverband bedraagt respectievelijk 1/3:1/3:1/3. Aan A worden voor de hogere waarde van zijn storting letteraandelen A toegekend met een nominale waarde één eurocent en een agio(reserve) van € 60.000, B ontvangt letteraandelen B met een nominale waarde van één eurocent en een agio(reserve) van € 40.000. C ontvangt letteraandelen C met een nominale waarde van één eurocent en een agio(reserve) van € 100.000. Wel dient om winstverschuiving te voorkomen de winstgerechtigdheid van ieder letteraandeel gelijk te zijn aan de winstverhouding van het samenwerkingsverband, namelijk respectievelijk 1/3:1/3:1/3. Ik keur goed dat sprake is van een omzetting als bedoeld in artikel 3.65 Wet IB 2001, hoewel de inbreng onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming, als de inbreng wordt gevolgd door een afsplitsing tegen uitreiking van aandelen. De toelichting vermeld in 4.2.2 is van overeenkomstige toepassing. Bij een geruisloze omzetting van een onderneming in een vennootschap direct gevolgd door een juridische splitsing als bedoeld in artikel 2:334a BW (niet zijnde een afsplitsing tegen uitreiking van aandelen), is sprake van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of liquidatie van de met toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001 overgedragen onderneming. Van geval tot geval ben ik bereid te bezien of de geruisloze omzetting doorgang kan vinden. Aan het toestaan van de faciliteit kunnen voorwaarden worden gesteld. Zie verder onderdeel 15.5 van dit besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel