De vennootschap treedt voor het bepalen van de winst van de omgezette onderneming vanaf het overgangstijdstip rechtstreeks in de plaats van de belastingplichtige, behoudens voor zover uit het verschil in wezen tussen de vennootschap en de belastingplichtige of uit de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 het tegendeel voortvloeit.
Omdat de onderneming wordt geacht niet te zijn gestaakt, is er geen realisatiemoment van de stille reserves. Op grond van de tweede standaardvoorwaarde treedt de vennootschap voor het bepalen van de winst in de plaats van de belastingplichtige. Over stille reserves, met uitzondering van de stille reserves in onttrokken vermogensbestanddelen als bedoeld in onderdeel 4.1 van dit besluit, hoeft daarom niet te worden afgerekend. De vermogensbestanddelen van de onderneming behouden door de plaatsvervanging hun fiscale boekwaarde en daarmee de stille reserves.
Ook de fiscale reserves worden niet aan de winst toegevoegd. Een uitzondering geldt voor de positieve terugkeerreserve en de oudedagsreserve. Deze reserves worden wel in de winst opgenomen. Ten aanzien van de negatieve terugkeerreserve van artikel 3.54a Wet IB 2001 is in artikel 3.65, tweede lid, Wet IB 2001 een bijzonder voorschrift opgenomen.
Omdat de onderneming wordt geacht niet te zijn gestaakt, vindt geen desinvesteringsbijtelling plaats in verband met de geruisloze omzetting. Doordat de vennootschap in de plaats treedt van de belastingplichtige heeft de vennootschap in verband met de omzetting geen recht op investeringsaftrek voor de bedrijfsmiddelen die de vennootschap heeft verworven met de inbreng van de onderneming. Een verplichting tot desinvesteringsbijtelling gaat over op de vennootschap evenals het recht op de bij de inbrenger nog niet in aanmerking genomen investeringsaftrek.
Als de belastingplichtige recht had op willekeurige afschrijving als bedoeld in artikel 3.31 en 3.34 Wet IB 2001 gaat dit recht over op de vennootschap. Als deze willekeurige afschrijving bij de belastingplichtige heeft plaatsgevonden, gaat ook de sanctie vermeld in artikel 3.38 Wet IB 2001 over op de vennootschap. Dit geldt ook voor de verplichting van artikel 3.54, achtste lid, Wet IB 2001 inzake de herinvesteringsreserve.
Aangezien een vennootschap niet kan voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld voor de toepassing van willekeurige afschrijving voor startende ondernemers als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, Wet IB 2001, juncto paragraaf 1, hoofdstuk 4, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001, treedt de vennootschap inzake een bij de belastingplichtige nog niet geëffectueerd recht op deze afschrijving niet in de plaats van de belastingplichtige. De geruisloze omzetting als zodanig leidt echter niet tot toepassing van de sanctiebepaling van artikel 3.38 Wet IB 2001.
Als op het overgangstijdstip op grond van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting bij de belastingplichtige met betrekking tot de om te zetten onderneming, of bij de vennootschap, buitenlandse resultaten zijn gestald, zal de inspecteur voorwaarden stellen die afwijken van de tweede standaardvoorwaarde.
Artikel 6
Tweede standaardvoorwaarde
Onderdeel van Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting; geruisloze omzetting artikel 3.65 Wet IB 2001; standaardvoorwaarden en toelichting· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 5 november 2025