Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Vervreemdingsvoordelen

Onderdeel van Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 12 november 2025

In het aanmerkelijkbelangregime wordt uitgegaan van de gemiddelde verkrijgingsprijs per soort aandeel. Aan de hand van een voorbeeld wordt hierna uiteengezet hoe de verkrijgingsprijs moet worden bepaald als de belastingplichtige van een gedeelte van de aandelen de blote eigendom heeft en van een gedeelte de volle eigendom. Y heeft 20 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 per aandeel. Hij verkoopt een recht van vruchtgebruik op 10 aandelen aan een derde voor € 70.000. Op dat moment zijn de aandelen in volle eigendom € 10.000 per stuk waard. Na de verkoop heeft hij nog 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 1.000 en de blote eigendom van 10 aandelen met een verkrijgingsprijs van € 300. Enkele jaren later koopt Y 10 aandelen van een zelfde soort erbij voor € 15.000 per stuk. De totale verkrijgingsprijs bedraagt: € 10.000 + € 3.000 + € 150.000 = € 163.000 Per aandeel waarvan Y de volle eigendom bezit is de verkrijgingsprijs: € 163.000 x 1/(10 + (10 x 300/1000) + 10) = € 7.087 Per aandeel waarvan Y de blote eigendom bezit is de verkrijgingsprijs: 300/1.000 x € 7.087 = € 2.126 NB De breuk geeft de verhouding weer tussen de waarde van de blote eigendom en de waarde van de volle eigendom op het moment dat het recht van vruchtgebruik wordt gevestigd. Deze breuk blijft voor de berekening van de verkrijgingsprijs ongewijzigd indien op een later moment een nieuwe verkrijgingsprijs moet worden berekend omdat aandelen van eenzelfde soort worden bijgekocht. De verkrijgingsprijs van het vruchtgebruik dat op aandelen is gevestigd (hierna: vruchtgebruikaandelen) en aandelen in blote eigendom wordt evenredig verdeeld op basis van de waarde in het economische verkeer van deze aandelen in volle eigendom (zie artikel 4.19 juncto artikel 4.21 Wet IB 2001 en onderdeel 5.1 hiervoor). Het bepalen van de waarde in het economisch verkeer van vruchtgebruikaandelen wordt in de praktijk als lastig ervaren. Tegelijkertijd komt het voor dat in een specifiek geval de forfaitaire berekeningswijze van box 3 dan wel van de Successiewet 1956 leidt tot een goede benadering van de waarde in het economisch verkeer van de betreffende vruchtgebruikaandelen in box 2. In zo’n specifiek geval vind ik het gebruik van een van voornoemde forfaitaire berekeningswijzen als hulpmiddel niet bezwaarlijk. Daarom keur ik voor zover nodig het volgende goed. Ik keur goed dat voor de waardering van vruchtgebruikaandelen in box 2 kan worden aangesloten bij de forfaitaire berekeningswijze van artikel 21, veertiende lid, Successiewet 1956 juncto artikel 5, 6 en 10 Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 dan wel van artikel 5.22 Wet IB 2001 juncto artikel 18 en 19 Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001, mits de blooteigenaar en de vruchtgebruiker van de aandelen en de inspecteur van mening zijn dat deze forfaitaire berekeningswijze leidt tot een goede benadering van de waarde in het economische verkeer van de aandelen. In gevallen waarin de werkelijke waarde in het economisch verkeer van de vruchtgebruikaandelen voorzienbaar afwijkt van de uitkomst van de forfaitaire berekeningswijze, kan deze berekeningswijze niet worden gebruikt. De waarde in het economisch verkeer van de vruchtgebruik aandelen wordt dan alsnog met behulp van een actuariële berekening bepaald. Dit is bijvoorbeeld het geval als op voorhand duidelijk is dat de levensverwachting van de vruchtgebruiker volgens de tabellen van de forfaitaire berekeningswijze niet reëel is, bijvoorbeeld door diens ziekte. Een andere situatie waarbij aansluiten bij de forfaitaire berekening niet mogelijk is, is die waarbij redelijkerwijs te verwachten valt dat de voordelen op de aandelen hoger zijn dan het betreffende forfaitaire percentage. Fictief genoten loon op grond van de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 leidt tot een informele kapitaalstorting. Deze informele kapitaalstorting verhoogt de verkrijgingsprijs. Indien een aanmerkelijkbelanghouder fictief loon geniet, wordt de informele kapitaalstorting gesteld op het bedrag van het in aanmerking genomen fictieve loon. B is werkzaam voor een bv waarin B een aanmerkelijk belang heeft. B ontvangt geen salaris. Een gebruikelijk loon van € 50.000 wordt in aanmerking genomen. De bv draagt hierover (stel) € 17.000 loonbelasting/premie volksverzekeringen (loonheffing) af. Over het (gebruikelijke) loon is op grond van de Zorgverzekeringswet (ZVW) een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd van (stel) € 3.250. Omdat sprake is van een aanmerkelijkbelanghouder is doorgaans de bijdrage ZVW verschuldigd door de aanmerkelijkbelanghouder zelf (het is dus geen werkgeversheffing ZVW) en wordt deze bijdrage ZVW ingehouden op het nettoloon. De bv verhaalt de af te dragen loonheffing alsmede de bijdrage ZVW op B. De informele kapitaalstorting bedraagt € 50.000. De volgende journaalposten kunnen worden gemaakt: Loonkosten € 50.000 Aan informeel kapitaal € 50.000 Vordering op aanmerkelijkbelanghouder € 20.250 Aan af te dragen LH/PH € 17.000 Aan af te dragen zorgpremie € 3.250 Dezelfde gegevens als bij voorbeeld 1, maar nu verhaalt de bv de af te dragen loonheffing en de zorgpremie niet op B. Het voordeel door het niet verhalen wordt aangemerkt als daadwerkelijk genoten loon. Dat bedraagt € 20.250 (€ 17.000 af te dragen loonheffing, vermeerderd met € 3.250 bijdrage ZVW). De informele kapitaalstorting bedraagt in dit geval € 29.750. De volgende journaalposten kunnen worden gemaakt: Loonkosten € 50.000 Aan Informeel kapitaal € 29.750 Aan af te dragen LH/PH € 17.000 Aan af te dragen zorgpremie € 3.250 Ingeval de doorschuifregeling van artikel 4.17a of 4.17c Wet IB 2001 toepassing vindt en over het beleggingsvermogen wordt afgerekend, geldt voor de bepaling van het vervreemdingsvoordeel een bijzondere berekening. De verkrijgingsprijs die in aanmerking zou zijn genomen ingeval niet was verzocht om toepassing van de doorschuifregeling komt dan in mindering op de overdrachtsprijs die toerekenbaar is aan het beleggingsvermogen tot maximaal die overdrachtsprijs (artikel 4.19, tweede lid, Wet IB 2001). Er komt niet slechts in mindering een deel van de verkrijgingsprijs dat evenredig is aan het in de heffing betrokken vervreemdingsvoordeel over het beleggingsvermogen. Bij een positieve verkrijgingsprijs leidt deze berekening tot een zo klein mogelijk – maar niet kleiner dan nihil – vervreemdingsvoordeel ten aanzien van het beleggingsvermogen. Bij een negatieve verkrijgingsprijs is dit effect precies het tegenovergestelde, wat een onbillijkheid van overwegende aard tot gevolg heeft. In een situatie van een negatieve verkrijgingsprijs heb ik daarom een goedkeuring onder voorwaarden verleend. Ik keur op basis van artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hardheidsclausule) goed dat ingeval de doorschuifregeling van artikel 4.17a of 4.17c Wet IB 2001 toepassing vindt en sprake is van een negatieve verkrijgingsprijs, deze negatieve verkrijgingsprijs de overdrachtsprijs van het beleggingsvermogen en daarmee het vervreemdingsvoordeel niet verhoogt. Hieraan verbind ik de volgende voorwaarden. Bij het verzoek om toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17a of artikel 4.17c Wet IB 2001 is opgenomen dat de erflater/schenker en de verkrijger gebruik wensen te maken van deze goedkeuring. De gehele negatieve verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen schuift door naar de verkrijger. De verkrijger stemt in met deze doorschuiving van de gehele negatieve verkrijgingsprijs. X heeft alle aandelen in Z BV. De verkrijgingsprijs van de aandelen is negatief € 100.000. X overlijdt. Y is erfgenaam van X. De aandelen in Z BV hebben op het moment van overlijden van X een waarde in het economisch verkeer van € 500.000. Het ondernemingsvermogen van Z BV is berekend op € 440.000; het beleggingsvermogen op € 60.000. Voor zover het vervreemdingsvoordeel als gevolg van overlijden van X ziet op het ondernemingsvermogen wordt dat deel niet als vervreemdingsvoordeel bij X in aanmerking genomen en wordt de verkrijgingsprijs van X doorgeschoven. Voor zover dit vervreemdingsvoordeel ziet op het beleggingsvermogen, wordt daarover wel afgerekend bij X. Overeenkomstig het tweede lid van artikel 4.19 Wet IB 2001 is het vervreemdingsvoordeel dat ziet op het beleggingsvermogen als gevolg van het overlijden van X € 160.000. Dit is: € 500.000 – € 440.000 – negatief € 100.000. Bij toepassing van de goedkeuring bedraagt het vervreemdingsvoordeel dat ziet op het beleggingsvermogen € 60.000. De verkrijgingsprijs van Y van de aandelen in Z BV wordt € 40.000 negatief. Dit is de gehele, doorgeschoven negatieve verkrijgingsprijs van € 100.000 plus het vervreemdingsvoordeel op het beleggingsvermogen dat bij de erflater (X) in aanmerking is genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang. In zijn algemeenheid geldt dat een vervreemding als bedoeld in artikel 4.12, onderdeel b, Wet IB 2001, wordt aangenomen indien als gevolg van een rechtshandeling aandelen of winstbewijzen of daarin besloten liggende rechten uit het vermogen van de aanmerkelijkbelanghouder of houder van winstbewijzen overgaan in dat van een ander. Het voorgaande betekent dat geen vervreemding in aanmerking wordt genomen op het moment dat een enig aandeelhouder zijn direct gehouden gewone aandelen (deels) omvormt in preferente aandelen of als hij deze verlettert. Als in samenhang met deze omvorming of verlettering aandelen aan een ander worden uitgegeven of als sprake is van meerdere aandeelhouders kan deze handeling voor de zittende aandeelhouder(s) wel als een vervreemding worden aangemerkt. Dat doet zich voor als bij de omvorming of verlettering van aandelen (een deel van) in die aandelen besloten liggende rechten overgaan in het vermogen van een ander. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een onzakelijke verlettering van aandelen waarbij in de aandelen besloten liggende rechten overgaan op een andere aandeelhouder (zie Hof Arnhem-Leeuwarden, 2 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4438).9Zie in dit verband ook mijn toelichting intrekking cassatieberoep van 25 september 2024, nr. 2024-00000444136 te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/besluiten/2024/04/09/toelichtingen-bij-afzien-cassatieberoep-2024 Wanneer de omvorming of verlettering van de aandelen leidt tot een vervreemding van een deel van de in de aandelen besloten liggende rechten, wordt voor de bepaling van het vervreemdingsvoordeel uitgegaan van een evenredig deel van de overdrachtsprijs en van de verkrijgingsprijs. De overdrachtsprijs wordt daarbij gesteld op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op het moment van de statutenwijziging (artikel 4.22, eerste lid, Wet IB 2001). Een omvorming van gewone aandelen in preferente aandelen of de verlettering van gewone aandelen kan leiden tot een vervreemding aan een ander. Er kan twijfel bestaan wanneer dat het geval is. Als bij de omvorming van gewone aandelen in preferente aandelen aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan, neem ik het standpunt in dat geen sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling. De gewone aandelen worden bij statutenwijziging omgevormd tot cumulatief preferente aandelen. De vóór de statutenwijziging aan de om te zetten gewone aandelen verbonden zichtbare winstreserves en agioreserves worden volledig toegerekend aan deze (in preferente aandelen gewijzigde) aandelen. Hetzelfde gebeurt met de stille reserves en goodwill. Hiertoe zijn – voor zoveel als mogelijk – in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd. De preferente aandelen geven recht op een – eventueel in overleg met de inspecteur te bepalen – zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen aan de vennootschap (primair dividend). Het primaire dividend wordt, in het verlengde van het vorige punt, berekend over het nominale kapitaal van de preferente aandelen en de aan deze aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare reserves (inclusief goodwill). Indien de winst in enig jaar niet voldoende is voor het uitkeren van het primaire dividend, bestaat er in de volgende jaren in zoverre recht op een aanvullend primair dividend. De na de toekenning van het primaire dividend resterende winst wordt toegerekend aan de gewone aandelen. Indien in enig jaar na de statutenwijziging in plaats van een dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, bestaat in de daaropvolgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primair dividend over deze bijschrijving. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op de aan de preferente aandelen verbonden winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een bedrag bijgeschreven op deze winstreserverekening dat overeenkomt met het bedrag dat ter dekking van de verliezen was afgeschreven. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de preferente aandelen verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houder van de preferente aandelen. Het gevolg is dat de direct vóór de statutenwijziging aan de oude aandelen verbonden zichtbare en onzichtbare reserves (inclusief goodwill) uiteindelijk op de preferente aandelen zijn uitgekeerd, tenzij deze winstreserves door verliezen definitief teniet zijn gegaan. Het komt voor dat in samenhang met de omvorming, gewone aandelen worden uitgereikt aan een ander, bijvoorbeeld een bedrijfsopvolger. Aan de hand van de tegenprestatie van deze toetreder kan diens (geprognosticeerde of feitelijk behaalde) rendement worden bepaald in de eerste jaren. Als dit rendement aanmerkelijk hoger is dan het rendement dat in zakelijke verhoudingen mogelijk zou zijn, is dit een aanwijzing dat de vergoeding waarop de preferente aandelen recht geven te laag is (zie voorwaarde c. hiervóór). Een relatief hoog rendement kan mede veroorzaakt worden door de geringe investering van de toetreder in het gewone aandelenkapitaal. In dergelijke gevallen is vaak duidelijk dat aan derden niet tegen dezelfde condities gewone aandelen zouden worden uitgereikt. Overigens kan in zo een situatie sprake zijn van een lucratief belang (artikel 3.92b Wet IB 2001). De hiervoor genoemde onevenwichtigheid kan worden opgeheven door een zodanige (aanvullende) inbreng door de bedrijfsopvolger dat een evenwichtige verhouding ontstaat tussen zijn inbreng en de rendementen die hij mag verwachten volgens de gehanteerde prognoses. Als aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan, neem ik het standpunt in dat bij de verlettering van aandelen geen sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling. De gewone aandelen worden verletterd in aandelen A en er worden nieuwe aandelen B geëmitteerd. De vóór de statutenwijziging aan de gewone aandelen verbonden zichtbare winstreserves en agioreserves worden volledig toegerekend aan de aandelen A. Hetzelfde gebeurt met de stille reserves en goodwill. Hiertoe zijn – voor zoveel als mogelijk – in de jaarrekening en in de statuten afzonderlijke reserves gecreëerd. De aandelen A en B geven recht op een – eventueel in overleg met de inspecteur te bepalen – zakelijke vergoeding voor het ter beschikking stellen van vermogen aan de vennootschap (primair dividend). Het primaire dividend wordt, in het verlengde van het vorige punt, berekend over de nominale waarde van de aandelen A en B en het bedrag van de aan die aandelen verbonden zichtbare reserves. De aandelen A geven tevens recht op primair dividend berekend over de ten tijde van de verlettering aan deze aandelen verbonden stille reserves en goodwill voor zover deze nog niet op de aandelen zijn uitgekeerd of door verliezen verloren zijn gegaan. Indien de winst in enig jaar niet voldoende is voor het uitkeren van het primaire dividend, bestaat er in de volgende jaren in zoverre recht op een aanvullend primair dividend. De na de toekenning van het primaire dividend op de aandelen A en B resterende winst wordt in verhouding tot het nominale kapitaal aan de aandelen A en de aandelen B toegerekend. Indien in enig jaar na de statutenwijziging in plaats van een primaire dividenduitkering een bijschrijving plaatsvindt op de aan de aandelen A en B verbonden winstreserverekeningen, bestaat in de daaropvolgende jaren ook recht op het vastgestelde percentage primaire dividend over deze bijschrijvingen. Indien in enig jaar een verlies wordt afgeboekt op een winstreserverekening, wordt, als in een later jaar winst wordt gemaakt, een bedrag bijgeschreven op deze winstreserverekening dat overeenkomt met het bedrag dat ter dekking van de verliezen was afgeschreven. Bij liquidatie van de vennootschap worden de aan de aandelen A verbonden winstreserves uitgekeerd aan de houders van de aandelen A. Het gevolg is dat de direct vóór de statutenwijziging aan de gewone aandelen verbonden winstreserves uiteindelijk op de aandelen A zijn uitgekeerd, tenzij deze winstreserves door verliezen definitief teniet zijn gegaan. Als de aandelen als gevolg van de verlettering in materiële zin kwalificeren als preferente aandelen, geldt hetgeen hiervoor over de preferente aandelen is opgenomen. Overdracht in administratie van aandelen in een nv of bv door een aandeelhouder aan een administratiekantoor – hetzij nv, bv of stichting – tegen afgifte van certificaten van die aandelen wordt niet aangemerkt als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, indien de uit te reiken certificaten met de aandelen kunnen worden vereenzelvigd. In dat geval is de verkrijgingsprijs van de certificaten gelijk aan die van de in administratie genomen aandelen. Van vereenzelviging van certificaten met de overgenomen aandelen kan worden gesproken, indien uit de statuten van het administratiekantoor dan wel uit eventuele voorwaarden van administratie blijkt, dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. Voor ieder ingeleverd aandeel wordt telkens een certificaat uitgereikt dan wel een aantal certificaten tot een gelijk totaal nominaal bedrag als het ingeleverde aandeel. Het administratiekantoor kan de overgenomen aandelen niet vervreemden of verpanden, wat het eerste betreft althans niet zonder onmiddellijke uitkering van de opbrengst aan de certificaathouders tegen inlevering van de certificaten. De door het administratiekantoor ontvangen dividenden en andere uitkeringen op de aandelen worden onmiddellijk ter beschikking van de certificaathouders gesteld. Bij uitreiking van bonusaandelen of stockdividenden op de overgenomen aandelen worden door het administratiekantoor dienovereenkomstig certificaten verstrekt. Indien bij de uitgifte van nieuwe aandelen voorkeursrechten aan de aandeelhouders worden toegekend, stelt het administratiekantoor de certificaathouders in de gelegenheid dienovereenkomstig een voorkeursrecht op certificaten uit te oefenen. Het administratiekantoor maakt van de voorkeursrechten van aandeelhouders gebruik in dezelfde omvang als de certificaathouders gebruik maken van de hun dienovereenkomstig toegekende rechten. Door het administratiekantoor ontvangen liquidatie-uitkeringen op de aandelen worden onmiddellijk aan de certificaathouders tegen inlevering van de certificaten afgedragen. De vervreemdingsbevoegdheid ten aanzien van de certificaten is niet geringer dan bij de aandelen het geval is. De certificaten kunnen slechts tegen afgifte van de aandelen worden ingetrokken dan wel ingeleverd. Overigens mogen de statuten en administratievoorwaarden of andere overeenkomsten geen bepalingen bevatten, welke vereenzelviging van de certificaten met de aandelen zouden verhinderen. De toevoeging van een verrekenbeding (periodiek of finaal) aan de huwelijkse voorwaarden van een buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwde aanmerkelijkbelanghouder heeft geen gevolgen voor de aanmerkelijkbelangheffing. De toevoeging van een verrekenbeding betekent dat de huwelijkse voorwaarden worden gehandhaafd, maar dat er periodiek, dan wel bij ontbinding van het huwelijk, verrekening tussen de echtgenoten plaatsvindt. De aandelen gaan hierdoor niet tot een huwelijksgoederengemeenschap behoren. De houder van de aandelen of winstbewijzen blijft voor hetzelfde belang aanmerkelijkbelanghouder. Ook ingeval de andere echtgenoot als gevolg van het verrekenbeding jaarlijks of na ontbinding van het huwelijk recht heeft op verrekening van de waardeaangroei van de aandelen, wordt deze dus niet als aanmerkelijkbelanghouder aangemerkt. Zie ook hierna onderdeel 5.9. De fiscale gevolgen van de vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen aan een echtgenoot zijn afhankelijk van het huwelijksgoederenregime. Hierna wordt uitgegaan van een enig aandeelhouder van een bv die de helft van zijn aandelen overdraagt aan zijn echtgenoot. Indien belanghebbende in een gemeenschap van goederen is gehuwd en de aandelen onderdeel uitmaken van deze algehele of beperkte gemeenschap, heeft een dergelijke overdracht geen gevolgen voor de aanmerkelijkbelangregeling. Door de huwelijksgemeenschap blijft het belang bij de aandelen uiteindelijk ongewijzigd. Indien de aandeelhouder op huwelijkse voorwaarden is gehuwd en de aandelen geen deel uitmaken van enige huwelijksgoederengemeenschap, is in beginsel sprake van een vervreemding in de zin van artikel 4.12, aanhef en onderdeel b, Wet IB 2001. Aangezien er geen sprake is van een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht, is doorschuiving op de voet van artikel 4.17 Wet IB 2001 niet mogelijk en moet worden afgerekend. Indien de koopsom wordt schuldig gebleven, kan eventueel wel uitstel van betaling worden verleend op de voet van artikel 25, negende lid, van de Invorderingswet 1990. Indien echtgenoten die buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, gaan scheiden, kan artikel 4.17 Wet IB 2001 geen toepassing vinden. Artikel 4.17 Wet IB 2001 is ook niet van toepassing als daarbij een periodiek of finaal verrekenbeding tussen de echtgenoten geldt. Een verrekenbeding leidt niet tot een huwelijksgemeenschap die wordt verdeeld, maar doet vorderingsrechten tussen echtgenoten ontstaan. Bij een periodiek verrekenbeding wordt jaarlijks het onverteerde inkomen tussen de echtgenoten verdeeld. Ook als die verdeling niet jaarlijks plaatsvindt, zoals aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad (civiele kamer) van 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1695, is artikel 4.17 Wet IB 2001 niet van toepassing. X en Y zijn buiten gemeenschap van goederen gehuwd. X en Y verwerven tijdens het huwelijk ieder 50% van de aandelen in een bv. Bij echtscheiding worden alle aandelen toebedeeld aan X. De toedeling van de aandelen aan X is een vervreemding door Y. Op deze vervreemding is artikel 4.17 Wet IB 2001 niet van toepassing. Indien een erflater in zijn testament een legaat van de aandelen heeft opgenomen en in het testament niets heeft bepaald over de ingangsdatum van het legaat, is met betrekking tot de vraag of sprake is van een fictieve vervreemding de regeling in het BW beslissend. Voor de periode vanaf 1 januari 2003 geldt artikel 4:201, eerste lid, BW. Dit artikel bepaalt dat de legataris het legaat in de regel verkrijgt zonder dat een aanvaarding nodig is. De aandelen gaan onder bijzondere titel over op de legataris (artikel 3:80, derde lid, BW). Er is dan sprake van een (fictieve) vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen (artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001). De legataris wordt hierdoor direct na het overlijden van de erflater aanmerkelijkbelanghouder van de aandelen. Ook als de gelegateerde aandelen nog niet bij notariële akte zijn geleverd, zijn eventuele reguliere voordelen daarom belast bij de legataris in box 2. Bij legatering van aandelen waarbij de erflater geen termijn van opeisbaarheid heeft gesteld, verkrijgen de (andere) erfgenamen geen aandelen. In de situatie dat de legataris het legaat verwerpt, komen de aandelen en de inkomsten daaruit vanaf het tijdstip van overlijden toe aan de erfgenamen. Dit betekent dat de erfgenamen vanaf de datum van overlijden steeds aanmerkelijkbelanghouder zijn geweest. Overigens kan zich de situatie voordoen dat de erfgenamen toch een economisch belang bij de aandelen hebben, zodat zij wel (tijdelijk) aanmerkelijkbelanghouder zijn. Dit doet zich onder andere voor als de erfgenamen tijdelijk recht hebben op de vruchten van de aandelen of als de erflater een andere opeisbaarheidsdatum ten aanzien van het legaat heeft opgenomen in zijn testament. Dit betekent voor het laatste geval dat de aandelen eerst onder algemene titel overgaan op de erfgenamen. Vervolgens dragen de erfgenamen de aandelen onder bijzondere titel over aan de legataris op het moment dat het legaat opeisbaar is. Het voorgaande wordt niet wezenlijk anders als er sprake is van een legaat van alleen het recht van vruchtgebruik van de aandelen. Ervan uitgaande dat het legaat direct ingaat, is het de legataris die vanaf het overlijden van de erflater het economische belang heeft bij de vruchten van de aandelen. De erflater draagt dan ook het vruchtgebruik onder bijzondere titel over aan de legataris. Tegelijkertijd gaat de hoofdgerechtigdheid van de aandelen onder algemene titel over op de erfgenamen. In dit geval worden dus zowel de legataris als de erfgenamen aanmerkelijkbelanghouder (artikel 4.3 respectievelijk artikel 4.6 Wet IB 2001). Overigens maakt het voor de verkrijgingsprijs van de aandelen geen verschil of sprake is van een legaat tegen inbreng van de waarde of van een legaat om niet. Immers, als de inbreng niet plaatsvindt tegen de waarde in het economische verkeer van de aandelen, stelt artikel 4.22 Wet IB 2001 de overdrachtsprijs vast op de waarde in het economische verkeer. Op de fictieve vervreemding kan artikel 4.17a Wet IB 2001 van toepassing zijn indien de verkrijger in Nederland woonachtig is en ook is voldaan aan de overige voorwaarden. De verkrijgingsprijs van de legataris is gelijk aan die van de erflater ingevolge artikel 4.17a jo. artikel 4.39a Wet IB 2001, ook als sprake is van een legaat tegen inbreng van de waarde. Een betaling van de legataris aan de nalatenschap verhoogt zijn verkrijgingsprijs dus niet. Ingeval van een legaat van vruchtgebruik van de aandelen wordt de verkrijgingsprijs van de erflater voor een evenredig deel doorgeschoven naar de hoofdgerechtigden en de vruchtgebruiker. Anders dan in een situatie van overbedeling is voor de afgifte van het legaat de termijn van twee jaar van artikel 4.17b, eerste lid, Wet IB 2001 niet relevant. Indien de legataris in het buitenland woonachtig is, is artikel 4.17a Wet IB 2001 niet van toepassing. De erflater moet afrekenen over de waarde in het economische verkeer van de aandelen verminderd met zijn verkrijgingsprijs (vervreemdingsvoordeel). Op verzoek wordt als te conserveren inkomen aangemerkt het deel van het vervreemdingsvoordeel dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen dat ingevolge artikel 4.17a Wet IB 2001 in aanmerking zou zijn genomen wanneer de legataris in Nederland zou hebben gewoond ten tijde van de overgang krachtens erfrecht (zie artikel 2.8, vijfde lid, Wet IB 2001). Uitstel van betaling kan worden verleend aan de gezamenlijke erfgenamen als rechtsopvolgers onder algemene titel (artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990 juncto artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990). Op grond van artikel 4.17 en 4.17b Wet IB 2001 is het mogelijk dat een verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap binnen twee jaren na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap respectievelijk het overlijden van de erflater niet als een vervreemding wordt aangemerkt. De oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen schuift alsdan door naar de opvolger(s). Als tijdstip van de verdeling van de huwelijksgemeenschap kan in dit verband in aanmerking worden genomen het moment waarop er wilsovereenstemming is, dat wil zeggen wederzijdse instemming met de verdeling van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen, en dat partijen het bovendien eens zijn geworden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor hen heeft. Hetzelfde tijdstip als hiervoor geldt ook voor de verdeling van de nalatenschap tenzij sprake is van een wettelijke verdeling met een langstlevende echtgenoot en een of meer kinderen. In dat geval wordt conform het civiele recht de nalatenschap van rechtswege verdeeld (artikel 4:13 BW). Dit moment is tevens het tijdstip waarop de verdeling van de nalatenschap plaatsvindt. Als de verdeling van een huwelijksgemeenschap of nalatenschap binnen twee jaar plaatsvindt na respectievelijk de ontbinding van die huwelijksgemeenschap en het overlijden, is het onder omstandigheden mogelijk deze gebeurtenissen niet als vervreemdingshandeling aan te merken (artikel 4.17 en 4.17b Wet IB 2001). Overschrijden de belanghebbenden genoemde tweejaarstermijn dan verbindt de Wet IB 2001 daaraan definitieve gevolgen: heffing ter zake van inkomen uit aanmerkelijk belang vindt plaats voor zover sprake is van een onderbedeling. Een dergelijke situatie van onderbedeling doet zich voor als ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap of de huwelijksgemeenschap het aantal verkregen aandelen of winstbewijzen lager is dan het aantal waartoe men gerechtigd is. In het jaar waarin de verdeling van de nalatenschap of van de huwelijksgemeenschap plaatsvindt, bedraagt het in de belastingheffing te betrekken voordeel het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van de aandelen of winstbewijzen ten aanzien waarvan men is onderbedeeld. In uitzonderlijke gevallen blijkt dat een verdeling binnen twee jaren niet mogelijk is. Het beleid met betrekking tot het verlenen van een termijnverlenging is als volgt. De inspecteur beslist op dergelijke verzoeken met inachtneming van het hiernavolgende. Komt een verzoek om termijnverlenging binnen vóór het verstrijken van bovengenoemde tweejaarstermijn, dan wordt uitsluitend in zeer bijzondere gevallen een redelijke termijnverlenging toegestaan. Gedacht kan worden aan situaties waarin de vertraging in de verdeling van de nalatenschap of de verdeling van de gemeenschap is te wijten aan overmacht. Is de vertraging veroorzaakt door de Belastingdienst dan wordt een verzoek om termijnverlenging vanzelfsprekend gehonoreerd. Indien aandelen onder een blokkeringsregeling vallen, is voor de aanmerkelijkbelangregeling pas sprake van een vervreemding op het moment dat aan de voorwaarden van de blokkeringsregeling is voldaan. Een obligatoire overeenkomst tot vervreemding van aandelen die onder een blokkeringsregeling vallen, wordt beschouwd als overeengekomen onder de opschortende voorwaarde dat de verkoper met inachtneming van de blokkeringsregeling toestemming krijgt voor levering van de aandelen. Aangenomen moet immers worden dat de koper en verkoper zich slechts hebben willen binden voor het geval de verkoper in staat blijkt de aandelen rechtsgeldig te leveren. Tot het moment waarop de opschortende voorwaarde wordt vervuld, is daarom geen sprake van een perfecte overeenkomst en mitsdien evenmin van een vervreemding in de zin van de aanmerkelijkbelangregeling (Hof Den Bosch 28 mei 1957, NJ 1958, 129, en Rechtbank Haarlem 10 mei 1983, NJ 1984, 431). Indien sprake is van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde, heeft de koper slechts een voorwaardelijk recht verkregen en kan het economische belang bij de aandelen hem niet toekomen voordat de voorwaarde in vervulling is gegaan (HR 9 oktober 2009, nr. 08/03606, LJN BI37245, en HR 19 april 2000, nr. 33 560, LJN AA5540). Ik verwijs ook naar mijn toelichting van 17 december 2010, nr. DGB2010-7615 naar aanleiding van de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 29 oktober 2010, nr. 2009/00410, LJN BP3710 (V-N 2012/15.22). In geval een geldlening als onzakelijk wordt aangemerkt (onder andere HR 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442) kan sprake zijn van informeel kapitaal. Hierna wordt aangegeven wanneer dit zich kan voordoen. Als een aandeelhouder een onzakelijke lening aan zijn bv heeft verstrekt (onzakelijke lening omlaag), zal een kwijtschelding van deze geldlening als een informele kapitaalstorting worden aangemerkt, ook indien en voor zover de vordering oninbaar is (HR 25 november 2011, nr. 10/04588, ECLI:NL:HR:2011:BP8952). Deze informele kapitaalstorting verhoogt de verkrijgingsprijs. Dat geldt blijkens de casus van voornoemd arrest ook als de aanmerkelijkbelanghouder/schuldeiser niet alle aandelen bezit. Dit laatste is anders indien als gevolg van de onzakelijke lening sprake is van een schenking (in de zin van artikel 1, zevende lid, van de Successiewet 1956) aan de andere aandeelhouder(s). In dat geval zal niet (alleen) de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelanghouder, maar (ook) de verkrijgingsprijs van de andere aandeelhouder(s) naar rato van hun respectievelijke belangen worden verhoogd. Zie ook het besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229, onderdeel 8.2.5. X en haar kind Y hebben ieder 50% van de aandelen in Z BV. X verstrekt in jaar 1 een onzakelijke lening van € 400.000 aan Z BV. Als gevolg van het verstrekken van deze lening is sprake van een belaste schenking in de zin van artikel 1, zevende lid van de Successiewet 1956 van X aan Y ter grootte van 50% van de waardestijging van de aandelen in Z BV. In jaar 3 scheldt X de onzakelijke lening kwijt. Aangezien als gevolg van de onzakelijke lening sprake is van een schenking, wordt deze kwijtschelding in dit geval bij zowel X als en Y als een informele kapitaalstorting ter grootte van € 200.000 (50% van het bedrag van de kwijtschelding) aangemerkt. Behalve in aandeelhoudersrelaties kan de onzakelijke aanvaarding van het aan een lening verbonden debiteurenrisico ook gestoeld zijn op persoonlijke betrekkingen tussen natuurlijke personen (HR 24 september 2014, nr. 13/02262, ECLI:NL:HR:2014:2781 en 18 december 2015, nr. 15/00942, ECLI:NL:HR:2015:3599). Heeft, in geval van een onzakelijke lening, de crediteur geen aandelen in de vennootschap/debiteur, maar een met hem verbonden persoon wel, dan kan alleen sprake zijn van een storting van informeel kapitaal door die verbonden persoon indien het door de niet-aandeelhouder/crediteur aanvaarde debiteurenrisico of de kwijtschelding als een schenking in de zin van artikel 1, zevende lid, van de Successiewet 1956 aan die aandeelhouder/verbonden persoon wordt aangemerkt. Alleen in dat geval zal de verkrijgingsprijs van die aandeelhouder(s) naar rato van hun respectievelijke belangen kunnen worden verhoogd. Met verbonden persoon wordt in dit verband niet alleen bedoeld, de verbonden persoon van artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001, maar ook de niet onder deze bepaling vallende bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of zijn partner (de ongebruikelijke terbeschikkingstelling, artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001). X houdt alle aandelen in X BV. Haar vader (Y) verstrekt in jaar 1 een onzakelijke lening aan X BV. Als gevolg van het verstrekken van deze lening is sprake van een belaste schenking in de zin van artikel 1, zevende lid van de Successiewet 1956 van Y aan X ter grootte van de waardestijging van de aandelen in X BV. Y scheldt de onzakelijke lening kwijt in jaar 3. Ter grootte van het bedrag van de kwijtschelding doet X in jaar 3 een informele kapitaalstorting in X BV. Ook in geval van een zogenoemde onzakelijke lening opzij kan sprake zijn van een storting van informeel kapitaal door de aanmerkelijkbelanghouder. Bijvoorbeeld als de vennootschap een lening heeft verstrekt aan een zustervennootschap, louter om het belang van haar aandeelhouder te dienen. Op het moment van materiële kwijtschelding door de vennootschap/crediteur zal bij deze vennootschap een onttrekking en vervolgens een uitdeling worden geconstateerd aan de aandeelhouder die dat vervolgens stort als informeel kapitaal in de zustervennootschap/debiteur. Borgstelling en het aanvaarden van andere vormen van hoofdelijkheid (kortweg garantstelling) door aanmerkelijkbelanghouders voor schulden van de vennootschap zal zich in vrijwel alle gevallen in de kapitaalsfeer afspelen (besluit van 29 november 2021, nr. 2021-15229, onderdeel 8.3.1. en zie onder andere HR 12 december 2003, nr. 38/24, ECLI:NL:HR2003:AH8973 en HR 17 oktober 2014, nr. 14/00955, ECLI:NL:HR:2014:2984). Als de bank/crediteur de aanmerkelijkbelanghouder uit hoofde van de garantstelling aanspreekt en de aandeelhouder vervolgens de schuld van de vennootschap voldoet, krijgt hij een regresvordering op zijn BV. Als op dat moment vaststaat dat de vennootschap deze vordering niet zal kunnen voldoen, kan het betaalde bedrag op dat moment als informeel kapitaalstorting worden gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de aandelen van de aanmerkelijkbelanghouder. Als deze betaling plaatsvindt nadat de vennootschap al is ontbonden als gevolg van de opheffing van een faillissement bij gebrek aan baten en dus geen sprake meer is van een aanmerkelijk belang, dan kan op grond van een redelijke wetstoepassing het betaalde bedrag op dat moment de verkrijgingsprijs verhogen en zo leiden tot een verlies uit aanmerkelijk belang (zie: Hof Amsterdam 12 juli 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX6093). Als de garantsteller geen of niet alle aandelen heeft, is voor de informele kapitaalstorting hetgeen hiervoor is vermeld over de onzakelijke lening in geval van meerdere aandeelhouders, of verstrekt door niet-aandeelhouders, van overeenkomstige toepassing. Het tijdstip van de storting van informeel kapitaal wordt bepaald door het moment waarop definitief vaststaat dat de debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichtingen zal voldoen (HR 28 februari 2014, nr. 12/03526 ECLI:NL:HR:2014:417, r.o. 3.3.4.3.). Dat is het moment van (materiële) kwijtschelding van de (oninbare) vordering of van liquidatie van de vennootschap. Als te conserveren inkomen wordt onder andere aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van een fictieve vervreemding van aandelen of winstbewijzen bij emigratie (artikel 2.8, tweede lid, jo. artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, Wet IB 2001). Als een belastingplichtige meerdere pakketten aanmerkelijkbelangaandelen (hierna: AB-pakketten) heeft en als gevolg van diens emigratie zowel positieve als negatieve vervreemdingsvoordelen over de afzonderlijke AB-pakketten behaalt, dan is de vraag of ‘de positieve inkomensbestanddelen’ zien op het saldo van positieve inkomensbestanddelen of op een per saldo positief inkomensbestanddeel. De belastingplichtige kan kiezen om de positieve en negatieve vervreemdingsvoordelen van de afzonderlijke AB-pakketten:10Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van een onderdeel van het kennisgroepstandpunt KG:003:2024:1, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. te salderen en zo te komen tot een (per saldo positief) te conserveren inkomen, dan wel niet te salderen. Het te conserveren inkomen bestaat dan enkel uit de optelsom van alle positieve vervreemdingsvoordelen. In dat geval kan het negatieve vervreemdingsvoordeel leiden tot een te verrekenen verlies uit aanmerkelijk belang. De keuze kan worden gemaakt totdat de aanslag over het emigratiejaar onherroepelijk vaststaat. X woont in Nederland en heeft een aanmerkelijk belang in twee vennootschappen, A BV en B BV. In 2023 heeft X een positief inkomen uit aanmerkelijk belang van € 500. In 2024 emigreert X. Op het moment van emigratie geldt voor de AB-pakketten het volgende: Waarde in het economisch verkeer Verkrijgingsprijs Vervreemdingsvoordeel A BV € 1.500 € 2.000 –/– € 500 B BV € 3.000 € 500 € 2.500 Naast de vervreemdingsvoordelen als gevolg van de emigratie heeft X in 2024 geen ander inkomen uit aanmerkelijk belang genoten. X kan ervoor kiezen om de vervreemdingsvoordelen (a) te salderen en zo € 2.000 te conserveren inkomen in aanmerking nemen, of (b) niet te salderen en zo € 2.500 te conserveren inkomen in aanmerking nemen. Bij keuze b resteert € 500 negatief vervreemdingsvoordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang, dat als een te verrekenen verlies uit aanmerkelijk belang vervolgens wordt verrekend met het positief inkomen uit aanmerkelijke belang van 2023. Bij keuze a resteert geen negatief vervreemdingsvoordeel dat als een verlies uit aanmerkelijk belang verrekend kan worden. X uit voorbeeld 1 heeft in 2023 een inkomen uit aanmerkelijk belang van € 300 in plaats van € 500. De overige feiten zijn gelijk aan voorbeeld 1. Als X kiest voor (a) wordt € 2.000 in aanmerking genomen als te conserveren inkomen. Als X kiest voor (b) wordt € 2.500 te conserveren inkomen in aanmerking genomen. Bij keuze b resteert € 500 te verrekenen verlies uit aanmerkelijk belang. Hiervan kan € 300 worden verrekend met het inkomen van € 300 in 2023. Er resteert een onverrekend verlies van € 200. Dit verlies kan niet in mindering gebracht worden op het te conserveren inkomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel