De ACM geeft in dit besluit een beschrijving van de methode waarmee zij het redelijk rendement vaststelt. De ACM heeft sinds 9 oktober 20212Zie Staatsblad 2021, 459. de wettelijke bevoegdheid om een rendementstoets uit te voeren. De ACM toetst daarbij of een individuele warmteleverancier een meer dan redelijk rendement heeft behaald. Om het door de warmteleverancier behaalde rendement af te kunnen zetten tegen een redelijk rendement, stelt de ACM ingevolge artikel 7, lid 2, Warmtewet een redelijk rendement vast. Dit doet zij op basis van de WACC.
In de Beleidsregel geeft de ACM invulling aan de wijze waarop zij de rendementstoets uitvoert. Zo houdt de ACM bij de vaststelling van het meer dan redelijk behaalde rendement rekening met de levenscyclus van warmtenetten en het asymmetrisch reguleringsrisico (artikelen 6 en 6a), met eventuele efficiëntiewinsten van de leverancier (artikel 7) en met eventuele erkende innovatieve investeringen (artikel 7a). Een significant gestegen marktrente op het moment van toetsing, ten opzichte van de marktrente zoals die is meegenomen in dit besluit, zal voor de ACM een zwaarwegende reden zijn om (gedeeltelijk) af te zien van verdiscontering in het warmtetarief (artikel 10).
De ACM heeft onderzoeksbureau Brattle een adviesrapport laten opstellen over de bèta en de marktrisicopremie. Brattle heeft dit adviesrapport (hierna: adviesrapport Brattle 2025) op 8 mei 20253Brattle, The Beta and ERP for the Heating Companies in the Netherlands, 8 mei 2025. met de ACM gedeeld. De ACM volgt het adviesrapport en gebruikt de bèta en de marktrisicopremie voor het besluit redelijk rendement warmteleveranciers 2026–2028. Hiernaast heeft Brattle op verzoek van de ACM advies gegeven over een mogelijke opslag voor kleinere warmteleveranciers op de kostenvoet eigen vermogen. Brattle concludeert dat een opslag niet te rechtvaardigen is, omdat investeerders risico’s voldoende kunnen mitigeren door middel van diversificatie. Bovendien wordt de beperkte verhandelbaarheid bij kleine, private leveranciers gecompenseerd door voordelen zoals lagere rapportageverplichtingen. De ACM volgt Brattle en past voor kleinere warmteleveranciers geen opslag toe op de kostenvoet eigen vermogen.
De ACM heeft voorts als gevolg van de beroepszaak van Vereniging Energie-Nederland (ingesteld bij het CBb op 2 oktober 2023) onderzoek gedaan naar de kostenvoet vreemd vermogen en een mogelijke differentiatie van de kostenvoet vreemd vermogen afhankelijk van de omvang van een warmteleverancier. Bij het bepalen van een eventuele opslag voor kleine bedrijven heeft de ACM gegevens van 84 warmteleveranciers gebruikt. Uit deze gegevens blijkt dat de kostenvoet vreemd vermogen van kleine warmteleveranciers niet hoger is dan de kostenvoet vreemd vermogen van grote warmteleveranciers. De ACM past daarom geen opslag op de kostenvoet vreemd vermogen voor kleine warmteleveranciers toe.
De ACM heeft belanghebbenden via klankbordgroepen op 19 maart en 29 april 2025 op informele wijze betrokken bij de methode en de berekeningen om te komen tot het besluit redelijk rendement 2026–2028.
Op 19 juni 2025 heeft de ACM het ontwerpbesluit redelijk rendement warmteleveranciers en het adviesrapport Brattle 2025 gepubliceerd op haar website.4Zie: Consultatie ontwerpbesluit redelijk rendement warmteleveranciers 2026–2028 | ACM Op 20 augustus 2025 heeft de ACM de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aangekondigd in de Staatscourant.5Staatscourant 2025, nr. 28775 d.d. 20 augustus 2025. Belanghebbenden zijn daarbij formeel in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven op het ontwerpbesluit redelijk rendement warmteleveranciers en op het adviesrapport Brattle 2025 dat daaraan ten grondslag ligt. Een samenvatting van de ontvangen zienswijzen en de reactie van de ACM hierop zijn opgenomen als bijlage bij dit besluit.
In het hiernavolgende hoofdstuk zet de ACM de uitgangspunten uiteen die zij hanteert om het redelijk rendement op basis van de WACC te bepalen. De ACM gaat vervolgens in op de kostenvoet eigen vermogen in hoofdstuk 4, de kostenvoet vreemd vermogen in hoofdstuk 5, de opslag asymmetrisch reguleringsrisico in hoofdstuk 6 en de gearing en de belastingvoet in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 8 stelt de ACM de hoogte van het redelijk rendement vast. De ACM sluit in hoofdstuk 9 af met het dictum.
Artikel 2
Inleiding
Onderdeel van Besluit vaststelling redelijk rendement warmteleveranciers 2026–2028· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 17 november 2025