In de praktijk komt het voor dat een belastingplichtige heeft verzuimd vóór het onherroepelijk vaststaan van de aanslag de keuze te maken om ná afloop van een kalenderjaar betaalde premie of inleg aan te merken als premie of inleg die is betaald in dat kalenderjaar (artikel 3.130, tweede lid, Wet IB 2001). Omdat het een keuze betreft kan een ambtshalve vermindering niet plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor de keuze om premie of inleg die in de buitenlandse periode in een kalenderjaar of binnen zes maanden daarna is betaald of verrekend aan te merken als premie of inleg die is betaald in de binnenlandse periode (artikel 3.130, derde lid, Wet IB 2001). Dit vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder een voorwaarde goed dat de regeling van ambtshalve herziening (artikel 9.6 Wet IB 2001) ook toegepast wordt op de keuze van artikel 3.130, tweede of derde lid, Wet IB 2001 die nog gemaakt kan worden nadat de aanslag over het kalenderjaar onherroepelijk vaststaat.
Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat de belastingplichtige de betreffende premie of inleg niet in aftrek heeft gebracht in het jaar van betaling. Dan heeft de belastingplichtige immers aangegeven een bewuste keuze te maken.
Bij lijfrenteverzekeringen kan een recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn meeverzekerd. Er doen zich situaties voor waarin bedragen worden onttrokken aan het lijfrentekapitaal voor deze dekking bij arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Deze onttrekking is in beginsel een gedeeltelijke afkoop van de lijfrenteverzekering met als gevolg dat de verzekeraar ter zake loonheffing zou moeten inhouden en de verzekeringnemer revisierente verschuldigd kan zijn.
Omdat het hier gaat om een onttrekking aan een in box 1 beclaimde aanspraak waarvoor een beperkte aftrek van premie bestaat (begrensd door jaar- en reserveringsruimte) ten gunste van een in box 1 beclaimde aanspraak waarvoor onbeperkt premieaftrek bestaat (recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid), acht ik dit gevolg ongewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder een voorwaarde goed dat in de situatie waarin premie voor een recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid wordt onttrokken aan het lijfrentekapitaal, artikel 3.134, eerste lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het tweede recht (de overblijvende lijfrenteverzekering) wordt beschouwd als een voortzetting van het eerste recht (de lijfrenteverzekering met daarin het recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid meeverzekerd). In deze situatie is geen sprake van gedeeltelijke afkoop. De periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid zijn daarmee integraal belast.
Deze goedkeuring is van toepassing mits de verzekeraar de onttrokken premie voor het recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid niet als aftrekbare premie renseigneert.