Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Voorwaarden voor lijfrenten (artikel 1.7, eerste en derde lid, Wet IB 2001)

Onderdeel van Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 14 april 2026

Van een lijfrente is alleen sprake als de aanspraak recht geeft op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen. Het komt voor dat de financiële instelling boven op deze uitkeringen een eenmalige (laatste) uitkering uitbetaalt. Dan kan sprake zijn van een gedeeltelijke afkoop waarover naast de inhouding van loonheffing ook revisierente is verschuldigd. Als het gaat om een bedrag van maximaal € 1.000 vind ik het berekenen van revisierente in de volgende situaties ongewenst. Een bestaand lijfrenteproduct is omgezet in een (ander) lijfrenteproduct en de nieuwe aanbieder ontvangt na berekening van de uitkeringen nog een nagekomen bedrag aan rendement van de vorige aanbieder. Dit kan zich ook voordoen bij ter zake van de lijfrente door de verzekeraar toegekende schadevergoedingen. Een dergelijk nagekomen bedrag moet in beginsel leiden tot herrekening van de uitkeringen. Als het om een gering bedrag gaat, vindt een dergelijke herrekening niet altijd plaats en wordt het nagekomen bedrag in een keer uitbetaald. Bij een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht moet het volledige lijfrentekapitaal in vaste en gelijkmatige uitkeringen worden uitgekeerd. Het komt echter voor dat een gering restsaldo van dat kapitaal overblijft en de financiële instelling dit uitkeert, bijvoorbeeld als gevolg van verschil in valutadata tussen de berekening en de daadwerkelijke overboeking van de uitkeringen. Bij de beschreven uitbetaling van nagekomen bedragen in situatie 1 en de uitkering van restsaldi in situatie 2 is in feite sprake van een (laatste) reguliere uitkering. Het berekenen van revisierente in deze situaties vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat geen revisierente verschuldigd is als het nagekomen bedrag of het uitgekeerde restsaldo ten hoogste € 1.000 bedraagt. Het nagekomen bedrag of het restsaldo kan samen met de eerstvolgende uitkering(en), met de laatste uitkering(en), of separaat als extra uitkering worden uitbetaald. Hierbij moet de aanbieder loonheffing inhouden alsof sprake is van de uitkering van een reguliere lijfrentetermijn. Als een nagekomen bedrag of een restsaldo hoger is dan € 1.000 en wordt uitbetaald, zijn de regels die gelden bij (gedeeltelijke) afkoop van toepassing en kan revisierente verschuldigd zijn. Voor lijfrenten waarbij de uitkeringen worden gedaan in de vorm van beleggingseenheden, is het fiscaal toegestaan dat de hoogte van de termijnen gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden wordt vastgesteld op een bepaald bedrag in euro’s per termijn (artikel 2a, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 2b, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Als een financiële instelling deze regel uitvoert, kan een restsaldo ontstaan als gevolg van hogere beleggingsresultaten in het laatste uitkeringsjaar van de lijfrente. Wanneer de financiële instelling dit restsaldo uitbetaalt, kan fiscaal gezien sprake zijn van gedeeltelijke afkoop. Naast inhouding van loonheffing is over dit bedrag revisierente verschuldigd. Omdat het restsaldo ontstaat door de wettelijk toegestane berekening van de hoogte van de termijnen, vind ik de berekening van revisierente bij het uitkeren van het restsaldo ongewenst. Daarom keur ik in deze situatie het volgende goed. Ik keur goed dat de financiële instelling het restsaldo dat in de hiervoor beschreven situatie ontstaat in het laatste uitkeringsjaar mag uitbetalen alsof sprake is van de uitkering van een reguliere termijn. Het restsaldo kan samen met de laatste uitkering of separaat worden uitbetaald. De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) kunnen maatregelen treffen waardoor het kan voorkomen dat al lopende lijfrente-uitkeringen niet meer voldoen aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Zo kan de AFM een lijfrentebeleggingsfonds op slot zetten en kan de DNB een levensverzekeraar failliet verklaren. In beide gevallen kan vanaf het moment dat de maatregel ingaat niet langer (volledig) worden uitgekeerd en zal worden gezocht naar een overnemende partij van de lijfrenteportefeuille. Totdat een overnemende partij is gevonden, kan een curator de uitkeringen verrichten. Als de curator en/of de overnemende partij tot uitkeringen overgaat, zullen deze in het algemeen op een lager niveau liggen dan oorspronkelijk is overeengekomen. Uit een liquidatie en/of faillissement nagekomen betalingen kunnen echter (weer) leiden tot hogere lijfrente-uitkeringen. Als door de getroffen maatregelen niet meer wordt voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’, wordt de waarde van de lijfrente bij de houder van een lijfrente in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en is in beginsel revisierente verschuldigd. Aangezien de houders van een lijfrente geen invloed hebben op de door de toezichthouders genomen maatregelen, acht ik deze fiscale gevolgen niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed. Voor situaties waarin als gevolg van door DNB of de AFM opgelegde maatregelen een financiële instelling niet of voor een lager bedrag de lijfrente-uitkeringen uitbetaalt aan de houders van de lijfrente, keur ik onder voorwaarden goed dat zowel bij het tijdelijk niet uitkeren als bij het tijdelijk uitkeren van een lager bedrag aan uitkeringen, maar ook bij het herstel van de uitkeringen naar de oorspronkelijke omvang, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Ook mag in die situatie op een later moment de gemiste of lagere uitkering worden ingehaald. Deze situaties zullen niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Ik stel bij goedkeuring 1 de volgende drie voorwaarden: De lijfrente-uitkeringen worden zo spoedig mogelijk hervat conform de oorspronkelijke lijfrenteovereenkomsten; De inhaal van gemiste en lagere uitkeringen vindt zo spoedig mogelijk plaats; en De houders van de lijfrente hebben geen invloed gehad op de financiële situatie van de financiële instelling. Voor situaties waarin een financiële instelling door ingrijpen van DNB of de AFM is geliquideerd of failliet is verklaard en de portefeuille is overgenomen door een andere financiële instelling, keur ik onder voorwaarden goed dat wanneer een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling aan de houder van de lijfrente toekomt, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Deze nabetaling zal dan ook niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Ik stel bij goedkeuring 2 de volgende twee voorwaarden: Het nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling wordt toegevoegd aan een lijfrente-aanspraak als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, Wet IB 2001; en Als het nagekomen bedrag bij een reeds ingegane lijfrente leidt tot lijfrente-uitkeringen, moet dit bedrag worden uitgesmeerd over de resterende uitkeringen. Om in aanmerking te komen voor een van de hiervóór opgenomen goedkeuringen meldt de uitkerende partij aan de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst1Emailadres kennisgroep: kg.verzekeringsproducten.assbel@belastingdienst.nl dat het hier een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van een liquidatie of faillissement betreft. Voor lijfrenteverzekeringen is in artikel 4:63 Wft een opzegmogelijkheid opgenomen die de verzekeringnemer de mogelijkheid biedt de overeenkomst binnen een periode van 30 kalenderdagen met onmiddellijke ingang op te zeggen (wettelijke bedenktijd). Voor lijfrenterekeningen die ‘op afstand worden afgesloten’ (via direct writer), is een vergelijkbare opzegmogelijkheid opgenomen in artikel 6:230x Burgerlijk Wetboek. Op grond van die bepaling kan een lijfrenterekening door een rekeninghouder worden ontbonden binnen 14 dagen. Het opnemen van deze mogelijkheden tot opzegging of ontbinding in een overeenkomst is niet in strijd met het voor lijfrenten geldende afkoopverbod omdat ze wettelijk verplicht zijn. Voor lijfrenten waarbij niet zo’n wettelijke verplichting geldt, zou een dergelijke clausule wel in strijd komen met een afkoopverbod. Dit vind ik ongewenst omdat de fiscale regel dan een drempel opwerpt tegen (vrijwillige) consumentenbescherming én omdat het een gelijk speelveld tussen lijfrenteproducten belemmert. Als een belastingplichtige gebruik maakt van een opzeg- of ontbindingsmogelijkheid (wettelijk verplicht of niet), is fiscaal gezien sprake van afkoop. Als de belastingplichtige de premiestorting of inleg heeft gedaan, moet hij negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking nemen. Daarbij is in beginsel revisierente verschuldigd. Het berekenen van revisierente vind ik in de geschetste situatie niet gewenst, omdat er slechts een korte tijdspanne zit tussen het sluiten van de overeenkomst en de opzegging daarvan op grond van een wettelijke regeling. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur onder voorwaarden goed dat een mogelijkheid tot opzegging of ontbinding niet in strijd is met het afkoopverbod én dat geen revisierente wordt berekend als van deze clausule gebruik wordt gemaakt. Ik stel daarbij de volgende vier voorwaarden: De mogelijkheid tot opzegging of ontbinding is in de lijfrenteovereenkomst opgenomen én duurt maximaal 30 dagen vanaf het moment dat de overeenkomst tot stand komt; De mogelijkheid tot opzegging of ontbinding geldt voor de gehele overeenkomst en premiestorting of inleg; De betreffende lijfrenteovereenkomst is geen voortzetting van een eerdere lijfrenteovereenkomst; en De premiestorting of inleg wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden, wat van belang kan zijn voor de rendementsgrondslag van box 3. Herstel van de verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst is mogelijk als op grond van een aanvraagformulier, een offerte, de hoogte van de betaalde premies of de overgemaakte bedragen, enzovoort, aannemelijk is dat een verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst niet de juiste weergave is van wat partijen beoogden overeen te komen. De tussenpersoon of de financiële instelling heeft dan een administratieve fout gemaakt. Na het herstel wordt de polis of overeenkomst geacht met inachtneming van de correctie te zijn opgemaakt vanaf het tijdstip van sluiten van de overeenkomst. Met andere woorden, het herstel heeft fiscaal terugwerkende kracht. Herstel kan ook plaatsvinden als aannemelijk is dat bij de omzetting van een verzekering of lijfrenteovereenkomst in een ander zodanig product een administratieve fout is gemaakt. Dit herstel kan ook plaatsvinden door de aanbieder die de fout zelf niet heeft gemaakt. Van een administratieve fout als zodanig is geen sprake als een verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst is opgemaakt conform de bedoeling van partijen maar berust op een foutief fiscaal inzicht bij de verzekeringnemer of de rekeninghouder, de tussenpersoon of de financiële instelling.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel