Gerechtigden tot een nabestaandenlijfrenteverzekering kunnen alleen natuurlijke personen zijn. Het kan voorkomen dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld en dat uit het testament blijkt dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling.
Op het ondeelbare tijdstip van overlijden voldoet deze nabestaandenlijfrenteverzekering niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Bij de overledene worden daarom negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen voor het aandeel van de niet-natuurlijke persoon in de nabestaandenlijfrenteverzekering (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Bovendien is de overledene in zoverre revisierente verschuldigd.
Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht waarvan de uitkeringen op het tijdstip van overlijden nog niet zijn ingegaan. Gerechtigden tot een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht kunnen in dat geval net als bij een nabestaandenlijfrenteverzekering alleen natuurlijke personen zijn. Het verschil met de nabestaandenlijfrenteverzekering is dat als de uitkeringen uit een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht op het tijdstip van overlijden echter al waren ingegaan (uitkeringsfase), de gerechtigden tot dergelijke nabestaandenlijfrenten ook niet-natuurlijke personen kunnen zijn.
Het is mogelijk dat de niet-natuurlijk persoon ten gunste van de andere erfgenamen afstand doet van zijn begunstiging respectievelijk gerechtigdheid. Het afstand doen gebeurt dan na het tijdstip van overlijden. Formeel voldoet de nabestaandenlijfrente op dat tijdstip niet meer aan de voorwaarden. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat als een niet-natuurlijk persoon afstand doet van de begunstiging of gerechtigheid ten gunste van de andere erfgenamen, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij de overledene in aanmerking worden genomen.
In de praktijk bestaat behoefte aan een nabestaandenlijfrente waarvan de uitkeringen niet direct ingaan bij het overlijden, maar pas als een recht op een Anw-uitkering is geëindigd. Gelet op de achtergrond van de nabestaandenlijfrente keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat sprake blijft van een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001 als een Anw-gerechtigde de uitkeringen niet onmiddellijk na het overlijden laat ingaan.
Het is niet toegestaan dat de nabestaandenlijfrente ingaat op een tijdstip naar keuze van de nabestaande, bijvoorbeeld een tijdstip tussen het overlijden en het tijdstip waarop de gerechtigdheid op de Anw-uitkering eindigt. De nabestaandenlijfrente moet ingaan op het tijdstip waarop de Anw-gerechtigdheid daadwerkelijk is geëindigd. Hierbij is niet van belang door welke oorzaak de Anw-gerechtigdheid is geëindigd. De gerechtigde tot de nabestaandenlijfrente kan daarbij gebruikmaken van de wettelijke termijn bij leven van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025).
Bij een combinatie van oudedags- en nabestaandenlijfrenten moet elk van de lijfrenten afzonderlijk voldoen aan alle daarvoor geldende criteria, waaronder het onzekerheidsvereiste (1%-sterftekans). Vooral bij een tijdelijke nabestaandenlijfrente die ingaat na het overlijden van de genieter van een overbruggingslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente, kan zich het volgende voordoen. Als de oorspronkelijke genieter overlijdt kort voor het voorziene einde van de looptijd van de uitkeringen, wordt bij toetsing op de ingangsdatum van de nabestaandenlijfrente niet voldaan aan de 1%-sterftekans. Daardoor kunnen ongewenste gevolgen optreden. Om deze ongewenste gevolgen te voorkomen, keur ik voor de nabestaandenlijfrente het volgende goed.
Ik keur goed dat voor de bepaling van de 1%-sterftekans wordt uitgegaan van de vroegst mogelijke datum waarop de nabestaandenlijfrente volgens de overeenkomst zou (hebben) kunnen ingaan.
Een rekeninghouder van een lijfrenterekening komt te overlijden. Omdat er zowel een testament als een huwelijksgemeenschap is, zal voor het bepalen van de nalatenschap eerst de huwelijksgemeenschap worden afgehandeld. De gemeenschap moet in principe worden verdeeld tussen de langstlevende partner en de erfgenamen naar de gerechtigdheid van de langstlevende partner tot de huwelijksgemeenschap. Een lijfrenterekening kan echter bij de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap volledig aan de langstlevende partner worden toebedeeld. Dit betekent dat een deel van de aanspraak wordt vervreemd aan de langstlevende partner.
Het vervreemden van een aanspraak op periodieke uitkeringen leidt tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001). De wetgever heeft een uitzondering gemaakt als de vervreemding plaatsvindt aan de (ex-) echtgenoot in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij echtscheiding of bij een scheiding van tafel en bed (artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001). De wetgever heeft het wenselijk geacht om de vervreemding van een aanspraak op een inkomensvoorziening bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap voor de inkomstenbelasting geruisloos te laten plaatsvinden.
De verdeling van de huwelijksgemeenschap in het kader van overlijden is niet als uitzondering opgenomen in artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001. Bij een lijfrenteverzekering zijn de begunstigden over het algemeen in de polis aangewezen. De aanspraak op periodieke uitkeringen ontstaat dan op grond van de verzekering. Als de overgebleven echtgenoot in de polis is aangewezen als nabestaande, dan is er geen sprake van vervreemding.
In dit licht heeft de wetgever het kennelijk niet nodig geacht om voor lijfrenteverzekeringen een uitzondering te maken voor de verdeling van een huwelijksgemeenschap in het kader van overlijden. Artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 is echter in werking getreden jaren voordat de lijfrenterekening en het lijfrentebeleggingsrecht zijn ingevoerd.
Tegen deze achtergrond acht ik het onwenselijk dat de langstlevende echtgenoot die via de verdeling van de huwelijksgemeenschap een tegoed op een lijfrenterekening of het lijfrentebeleggingsrecht krijgt toegewezen, negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking moet nemen. Daarnaast acht ik het verschil in behandeling tussen een lijfrenteverzekering en lijfrenterekening in dit soort situaties niet gewenst. Daarom keur ik onder een voorwaarde het volgende goed.
Ik keur goed dat de uitzondering van artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 ook van toepassing is als de vervreemding van een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen plaatsvindt in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap bij overlijden van de lijfrenterekeninghouder.
De erfgenamen moeten met de verdeling instemmen en zij moeten gecompenseerd worden voor de waarde van de aanspraak.