Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Oudedagslijfrenten en overbruggingslijfrenten

Onderdeel van Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 14 april 2026

Er zijn producten waarin in de eerste plaats een lijfrenteverzekering op twee levens is verzekerd. Hierbij gaan de termijnen in bij het in leven zijn van de verzekeringnemer én van zijn partner (oudedagslijfrente) op de afgesproken datum. Bij eerder overlijden van de verzekeringnemer of zijn partner gaat op grond van de overeenkomst een lijfrente in op het leven van de overblijvende partner (nabestaandenlijfrente). De rechten op de oudedagslijfrente vervallen bij het ingaan van de nabestaandenlijfrente. Een dergelijke lijfrentevorm is op grond van de Wet IB 2001 niet toegestaan omdat uitsluitend de verzekeringnemer de enige verzekerde persoon kan zijn voor de oudedagslijfrente. In deze verzekeringsvorm volgt bij vooroverlijden van de partner van de verzekeringnemer weliswaar geen oudedagslijfrente, maar op dat moment gaat wel een nabestaandenlijfrente in. Dergelijke verzekeringen vervullen een maatschappelijke functie. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat een dergelijke combinatie van lijfrenten voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, Wet IB 2001. Met ingang van 1 januari 2006 is geen premieaftrek meer mogelijk voor tijdelijke lijfrenteverzekeringen die voorafgaan aan de pensioendatum (overbruggingslijfrenten). Wel is het mogelijk in de toekomst nog overbruggingslijfrenten te bedingen voor zover sprake is van op 31 december 2005 bestaande aanspraken (artikel 10a.1 Wet IB 2001). Deze eerbiedigende werking is overigens beperkt tot aanspraken waarvan de premies vóór 1 januari 2006 in aanmerking zijn genomen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Als voorwaarde voor de eerbiedigende werking geldt op grond van de wettekst dat de polis (mede) betrekking heeft op een overbruggingslijfrente. Dit houdt in dat de overbruggingslijfrente uitdrukkelijk (mede) verzekerd moet zijn. In vele bestaande lijfrentepolissen worden overbruggingslijfrenten echter niet met zoveel woorden genoemd. Meestal zijn uitsluitend de oudedagslijfrenten in de polis opgenomen, met als achterliggende gedachte dat op grond van de Wet IB 2001 (wettekst tot en met 2005) een fiscaal geruisloze omzetting in een overbruggingslijfrente steeds mogelijk is. Ik wil voorkomen dat lijfrentepolissen die op 31 december 2005 niet (mede) betrekking hadden op een overbruggingslijfrente niet zouden kunnen leiden tot een overbruggingslijfrente. Daarom keur ik het volgende goed. Ik keur goed dat op 31 december 2005 bestaande lijfrenten waarbij de overbruggingslijfrente niet (mede) in de lijfrentepolis is opgenomen, mogen worden omgezet in een overbruggingslijfrente. Dat geldt ook voor lijfrenten die zijn bedongen in het kader van de omzetting in een lijfrente van de fiscale oudedagsreserve en/of in het kader van de omzetting van stakingswinst. Het voorgaande geldt eveneens voor stamrechten die in het verleden zijn bedongen met toepassing van de artikelen 19 (oud) en artikel 44j (oud) Wet IB 1964, tekst 1991. Dergelijke stamrechten mochten worden omgezet in een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB 2001 en vervolgens in een overbruggingslijfrente. De omzetting van een stamrecht in een overbruggingslijfrente kon ook plaatsvinden na het kalenderjaar 2005.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel