Anders dan voor een Pre Brede Herwaarderingslijfrente wijken devoorwaarden voor lijfrenten waarvoor premieaftrek mogelijk was op grond van het regime Brede Herwaardering maar op enkele punten af van de voorwaarden voor premieaftrek op grond van het regime voor lijfrenten van de Wet IB 2001. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat de polis van Brede Herwaarderingslijfrenten niet aan de Wet IB 2001 hoeft te worden aangepast. Bijvoorbeeld als in de polis een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd die ingaat in een kalenderjaar na het bereiken van de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-leeftijd van de belastingplichtige (zie ook de goedkeuring in onderdeel 7.2), of als het verbod op prijsgeven niet in de polis is opgenomen.
Onder het regime van de Brede Herwaardering bestond de mogelijkheid een oudedagslijfrente en een tijdelijke oudedagslijfrente te bedingen zonder dat daarbij een uiterste ingangsdatum van toepassing was. Met de inwerkingtreding van de Wet IB 2001 geldt wel een uiterste ingangsdatum voor dergelijke lijfrenten. Beide lijfrentevormen mogen niet later ingaan dan in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor premieaftrek was het niet nodig de Brede Herwaardingspolis aan te laten passen als in de polis een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd die ingaat in een kalenderjaar na het bereiken van deze leeftijd van de belastingplichtige (onderdeel 7.1). Als in een Brede Herwaarderingspolis vóór 1 januari 2001 al geen ingangsdatum was opgenomen of een ingangsdatum waaruit blijkt – door een feitelijk opgenomen ingangsdatum – dat de lijfrentetermijnen een aanvang zullen nemen na het jaar waarin de verzekeringnemer de leeftijd heeft bereikt die 5 jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd, keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat de polis wordt uitgevoerd zoals civielrechtelijk is overeengekomen. Er worden dan geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen en er wordt geen revisierente berekend (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001 en artikel 30i AWR). Dit geldt ook als de polis wordt overgedragen aan een andere verzekeraar onder voorwaarde dat de tekst in de polis ongewijzigd blijft. Een dergelijke lijfrenteverzekering mag op de overeengekomen ingangsdatum ook fiscaal geruisloos worden omgezet in een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Voorwaarde hierbij is ook dat de termijnen direct na de omzetting ingaan. Deze laatste voorwaarde geldt ook voor een Pre Brede Herwaarderingsverzekering die wordt omgezet in een lijfrente waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is.
Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel T, Invoeringswet Wet IB 2001 is artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing op Brede Herwaarderingslijfrenten. Artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt binnen welke termijn een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen. Dit is een wettelijke bedenkperiode voor de belastingplichtige om na de contractueel overeengekomen einddatum van zijn lijfrenteaanspraak de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak.
Met ingang van 1 januari 2026 is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 gewijzigd. Voor de uiterste datum bij leven wordt niet langer uitgegaan van de contractueel overeengekomen einddatum, maar van het uiterste tijdstip waarop de lijfrentetermijnen moeten worden uitgekeerd. De lijfrentetermijnen moeten uiterlijk worden uitgekeerd in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De bedenkperiode bij leven eindigt daarom uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin deze leeftijd is bereikt. Bij overlijden eindigt de bedenkperiode uiterlijk op 31 december volgend op het tweede kalenderjaar.
Voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractueel overeengekomen einddatum ná het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is in onderdeel 7.2 goedgekeurd dat deze mogen worden uitgevoerd zoals civielrechtelijk overeengekomen.
De gewijzigde tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 per 1 januari 2026 is echter niet toepasbaar op Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. Deze situatie is niet voorzien in de wet. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat op lijfrenteaanspraken met een contractuele einddatum gelegen ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 van toepassing blijft. In afwijking van dit artikel geldt daarbij dat de lijfrenteaanspraak wordt geacht te zijn afgekocht op de eerste dag direct volgend op de in dit artikel aangeduide uiterste datum. Deze datum geldt dus zowel voor de situatie bij leven als bij overlijden. Dit betekent dat het afkoopmoment zowel bij leven als overlijden 1 januari is na de respectievelijke bedenktijd bij leven of overlijden.
Voor Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum gelegen op of vóór 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 2026 van toepassing.
Artikel 7
Brede Herwaarderingslijfrenten
Onderdeel van Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 14 april 2026