Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, Invoeringswet Wet IB 2001 is artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing op Pre Brede Herwaarderingslijfrenten. Artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 bepaalt binnen welke termijn een belastingplichtige de uitkeringsfase van zijn lijfrente moet invullen. Deze termijn biedt de belastingplichtige de mogelijkheid om na de contractueel overeengekomen einddatum van zijn lijfrenteaanspraak de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak.
Met ingang van 1 januari 2026 is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 gewijzigd. Voor de uiterste datum bij leven wordt niet langer uitgegaan van de contractueel overeengekomen einddatum, maar van het uiterste tijdstip waarop de lijfrentetermijnen moeten worden uitgekeerd. De lijfrentetermijnen moeten uiterlijk worden uitgekeerd in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige een leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De bedenkperiode eindigt daarom uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin deze leeftijd is bereikt.
Voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten geldt geen wettelijke uiterste ingangsdatum. Daarom bevat hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, Invoeringswet IB 2001 ook een verwijzing naar artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025. Dit geldt voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten met een latere contractuele einddatum dan de uiterste ingangsdatum van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 die geldt vanaf 1 januari 2026. In het zesde lid is bepaald dat artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025) van toepassing blijft als de contractueel overeengekomen einddatum ligt na de uiterste datum genoemd in artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat geldt vanaf 1 januari 2026.
In deze uiterste datum is een bedenktijd van één jaar inbegrepen. Dit betekent dat als een contractuele einddatum is overeengekomen ná de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met zes jaar, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025) van toepassing is.
Omdat een Pre Brede Herwaarderingslijfrente een contractuele einddatum kan hebben op elke willekeurige datum tussen het vijfde en zesde jaar na de AOW-gerechtigde leeftijd, ontstaat voor deze Pre Brede Herwaarderingslijfrenten een onbedoeld effect. De tijd om de omvang van de termijnen vast te stellen of de lijfrenteaanspraak om te zetten in een andere zodanige aanspraak wordt steeds korter naarmate het expiratiemoment verder in het zesde jaar na de AOW-gerechtigde leeftijd ligt. Als de grens voor toepassing van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025) was getrokken bij een contractuele einddatum van de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar, zou er geen beperking van de bedenkperiode optreden. Uitgangspunt is dat de bedenkperiode bij leven ten minste één jaar bedraagt. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat op lijfrenteaanspraken met een contractuele einddatum gelegen ná 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op 31 december 2025 van toepassing blijft. Daarbij geldt dat, in afwijking van dit artikel, de lijfrenteaanspraak wordt geacht te zijn afgekocht op de eerste dag direct volgend op de in dit artikel aangeduide uiterste datum. Deze datum geldt dus ook voor de situatie bij overlijden. Dit betekent dat het afkoopmoment zowel bij leven als overlijden 1 januari is na de respectievelijke bedenktijd bij leven of overlijden.
Voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten met een contractuele einddatum gelegen op of vóór 31 december van het jaar waarin de belastingplichtige de AOW-gerechtigde leeftijd vermeerderd met vijf jaar heeft bereikt, is de tekst van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 zoals deze geldt vanaf 2026 van toepassing.
Artikel 8
Pre Brede Herwaarderingslijfrenten; Wettelijke termijn bij Pre Brede Herwaarderingslijfrenten
Onderdeel van Verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 14 april 2026