Naar hoofdinhoud

Artikel 17

Vaststelling specifieke uitkering

Onderdeel van Tijdelijke regeling specifieke uitkering woningbouw en mobiliteit· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. De minister stelt de specifieke uitkering vast uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin de laatste verantwoording overeenkomstig artikel 16 heeft plaatsgevonden. 2. De minister kan de specifieke uitkering ambtshalve vaststellen indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 16, blijkt dat de ontvanger niet voldoet aan een verplichting als bedoeld in artikel 13, derde, vierde of vijfde lid. Een ambtshalve vaststelling kan zien op het bedrag van de specifieke uitkering per bovenplanse infrastructurele voorziening. 3. Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval: het bedrag van de vastgestelde specifieke uitkering; het uitgekeerde voorschot; indien van toepassing, het terug te vorderen bedrag. 4. In geval van een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, vermeldt het besluit op welke bovenplanse infrastructurele voorziening de vaststelling ziet. 5. De specifieke uitkering kan lager worden vastgesteld dan het bedrag dat bij verlening is vastgesteld, indien de ontvanger niet heeft voldaan aan een verplichting als bedoeld in artikel 13, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid of een in de beschikking opgenomen verplichting. 6. Indien uit de verantwoording blijkt dat het resterende tekort per woningbouwlocatie of per groep van woningbouwlocaties lager is dan het voorziene resterende tekort, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel g, dan wordt het bedrag van de specifieke uitkering niet hoger vastgesteld dan het percentage, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel h, van het resterende tekort.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel