Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Regeling relatieve energiezuinigheid personenauto’s 2027· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2027

1. De energie-efficiëntieklasse van een nieuw model personenauto wordt bepaald aan de hand van de relatieve energiezuinigheid van de personenauto volgens de volgende tabel: Energie-efficiëntieklasse Relatieve energiezuinigheid [%] A relatieve energiezuinigheid < –15% B –15% <= relatieve energiezuinigheid < –5% C –5% <= relatieve energiezuinigheid < 5% D 5% <= relatieve energiezuinigheid < 15% E 15% <= relatieve energiezuinigheid < 25% F 25% <= relatieve energiezuinigheid < 35% G 35% <= relatieve energiezuinigheid 2. Bij de vaststelling van de energie-efficiëntieklasse wordt de relatieve energiezuinigheid uitgedrukt als een percentage en niet afgerond, waarbij geldt dat wanneer verscheidene varianten of uitvoeringen onder één model personenauto zijn gegroepeerd, de op te geven energie-efficiëntieklasse van het model wordt gebaseerd op de minst zuinige variant of uitvoering van een personenauto binnen die groep. 3. De relatieve energiezuinigheid wordt berekend volgens de volgende zes stappen a tot en met f: berekening van de gemiddelde lengte met behulp van de regressieformule gemiddelde lengte: lengtegem.= C1, lengte+ C2, lengtex breedte + C3, lengtex [breedte]2; berekening van de gecorrigeerde lengte x breedte: (lengte x breedte)cor. = [0,7 x lengte + 0,3 x lengtegem.] x breedte; als constante C3, verbruik een positieve waarde heeft, controle van het toepassingsgebied van de regressieformule gemiddeld energieverbruik: als: (lengte x breedte)cor. < –0,5 x C2, verbruik/ C3, verbruik; dan: (lengte x breedte)cor. = –0,5 x C2, verbruik/ C3, verbruik; berekening van het relatieve deel van de referentiewaarde met behulp van de regressieformule gemiddeld energieverbruik: verbruikrelatief gem. = C1, verbruik + C2, verbruik x [(lengte x breedte)cor.] + C3, verbruik x [(lengte x breedte)cor.]2; berekening van de referentiewaarde: referentiewaarde = 0,75 x verbruikrelatief gem. + 0,25 x verbruiktotaal gem.; berekening van de relatieve energiezuinigheid: relatieve energiezuinigheid = [CO2-uitstoot + 5 x stroomverbruik + 100 x waterstofverbruik – referentiewaarde] / referentiewaarde. x 100%; 4. Voor het bepalen van de energie-efficiëntieklasse voor personenauto’s waarvoor de test, bedoeld in Verordening (EU) 2017/1151, met LPG, aardgas of E-85 als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de personenauto met respectievelijk LPG, aardgas en E-85 als brandstof gehanteerd. 5. Personenauto's met een achteraf ingebouwde LPG- of aardgasinstallatie die de test van Verordening (EU) 2017/1151 met benzine als brandstof hebben ondergaan, worden beschouwd als personenauto's met benzine als brandstof. 6. De in te vullen gegevens worden als volgt overgenomen van het certificaat van overeenstemming behorende bij het betreffende voertuig: lengte: punt 6 van het certificaat van overeenstemming; breedte: punt 7 van het certificaat van overeenstemming; stroomverbruik: punt 49 van het certificaat van overeenstemming; CO2-uitstoot: punt 49 van het certificaat van overeenstemming; waterstofverbruik: punt 49 van het certificaat van overeenstemming. 7. De waarden, bedoeld in het zesde lid, worden als volgt ingevuld: de lengte en de breedte in meters, met een nauwkeurigheid van drie cijfers achter de komma; het stroomverbruik in kWh/100 km, met een nauwkeurigheid van een cijfer achter de komma; de CO2-uitstoot in gram/km, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele cijfer; het waterstofverbruik in kilogram per 100 km, met een nauwkeurigheid van twee cijfers achter de komma.

Rechtspraak bij dit artikel