In deze paragraaf wordt het beleidsmatige kader geschetst van enkele in artikel 14b Wet Vpb 1969 gehanteerde begrippen.
Artikel 14b Wet Vpb 1969 geldt zowel voor juridische fusies naar Nederlands recht als voor juridische fusies naar buitenlands recht. Wel is de juridische fusie naar Nederlands recht leidend in die zin, dat de inhoud die naar Nederlands recht toekomt aan het begrip overgang onder algemene titel, en het begrip juridische fusie, beslissend is voor de vraag of een buitenlandse rechtshandeling kwalificeert als overgang onder algemene titel in het kader van een juridische fusie als bedoeld in artikel 14b Wet Vpb 1969.
De juridische fusie naar Nederlands recht is ‘de rechtshandeling van twee of meer rechtspersonen waarbij een van deze het vermogen van de andere onder algemene titel verkrijgt of waarbij een nieuwe rechtspersoon die bij deze rechtshandeling door hen samen wordt opgericht, hun vermogen onder algemene titel verkrijgt’ (artikel 2:309 BW).
Civielrechtelijk is bij een juridische fusie dus sprake van een rechtshandeling waarbij de vermogensbestanddelen tussen de fuserende rechtspersonen onder algemene titel overgaan. Als tegenprestatie voor de in het kader van de juridische fusie verkregen vermogensbestanddelen zal in het algemeen de verkrijgende rechtspersoon aandelen toekennen aan de aandeelhouders van de rechtspersoon waarvan het vermogen onder algemene titel overgaat. Bij een juridische fusie verdwijnt deze laatste rechtspersoon (verdwijnende rechtspersoon). Een bijzondere vorm van juridische fusie is de zogenoemde driehoeksfusie. Bij deze fusievorm (die slechts mogelijk is bij een juridische fusie tussen naamloze vennootschappen of besloten vennootschappen) worden de aandeelhouders van een verdwijnende rechtspersoon geen aandeelhouder van de verkrijgende rechtspersoon, maar van een groepsmaatschappij van de verkrijgende rechtspersoon (artikel 2:333a BW).
Om in aanmerking te komen voor de fiscale faciliteit is niet vereist dat met of bij de juridische fusie positieve winst wordt behaald. Ook in de situatie dat de winst nihil of negatief is, kan om toepassing van de faciliteit worden verzocht. Als bij de juridische fusie een negatieve winst wordt behaald, kan het zo zijn dat heffing niet is verzekerd. Voorwaarde 10 bevat een regeling die dit voorkomt. Zie voor een toelichting op deze voorwaarde paragraaf 6.
De faciliteit van artikel 14b Wet Vpb 1969 wordt niet verleend, als de fusie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Krachtens artikel 14b, vijfde lid, tweede volzin wordt dit geacht het geval te zijn als de inspecteur aannemelijk maakt dat de fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de fuserende partijen. Dit wettelijk vermoeden van ontgaan of uitstel bij afwezigheid van zakelijke overwegingen, kan door belanghebbende worden weerlegd, door aannemelijk te maken dat ondanks het ontbreken van zakelijke overwegingen de juridische fusie niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
Bij de beoordeling of sprake is van de herstructurering van de actieve werkzaamheden, moet de situatie die vóór de fusie aanwezig was worden vergeleken met de situatie die door de fusie ontstaat. De overdracht van een onderneming naar een nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersoon kan in dit verband worden aangemerkt als een reorganisatie van de actieve werkzaamheden van de fuserende partijen.2Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, blz. 71.
Ter verduidelijking: de beslissing van de inspecteur op het verzoek van artikel 14b, derde lid, Wet Vpb 1969 geeft geen uitsluitsel over de toets van artikel 14b, vijfde lid, Wet Vpb 1969.3Dit beleidsonderdeel is tot stand gekomen naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt KG:032:2023:4, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl. De overdrager die zekerheid wenst omtrent de vraag of de juridische fusie niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan voor de juridische fusie een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking grond van artikel 14b, zevende lid, Wet Vpb 1969.
Als een fuserende rechtspersoon over bepaalde fiscale aanspraken beschikt, bijvoorbeeld verliesverrekeningsaanspraken, is de faciliteit alleen mogelijk via het derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969. Bepleit is wel dat deze regel geen toepassing vindt bij een verkrijgende rechtspersoon die als dochtermaatschappij is opgenomen in een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 Wet Vpb 1969. De fiscale aanspraken van de fiscale eenheid zouden volgens die benadering niet gelden als aanspraken van de verkrijgende rechtspersoon in de zin van artikel 14b, tweede lid, Wet Vpb 1969. Wat er zij van de juistheid van deze zienswijze, ik ben van mening dat in de bedoelde situatie zonder nadere voorwaarden de heffing niet is verzekerd, zodat alleen al daarom de faciliteit hier slechts mogelijk is via toepassing van het derde lid van artikel 14b Wet Vpb 1969.
Artikel 3
Nadere omschrijving wettelijke begrippen
Onderdeel van Besluit juridische fusie 2026· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 19 augustus 2026