Naar hoofdinhoud
1. Elk geschil over de uitlegging en toepassing van dit Verdrag dat niet middels het bepaalde in de artikelen 9 en 10 kan worden opgelost, wordt op verzoek van een Verdragsluitende Partij ter beslechting voorgelegd aan een arbitragecommissie. 2. Het scheidsgerecht wordt per geval in het leven geroepen, doordat iedere Verdragsluitende Partij een lid benoemt en beide leden overeenstemming bereiken over een onderdaan van een derde staat als voorzitter, die door de regeringen van de Verdragsluitende Partijen wordt benoemd. De leden worden binnen twee maanden benoemd en de voorzitter binnen drie maanden, nadat de ene Verdragsluitende Partij de andere heeft medegedeeld dat zij het geschil wenst voor te leggen aan een scheidsgerecht. 3. Indien de in het tweede lid genoemde termijnen niet in acht worden genomen, kan bij gebrek aan een andere wijze van overeenstemming elke Verdragsluitende Partij de President van het Internationaal Gerechtshof te Den Haag verzoeken de nodige benoemingen te verrichten. Indien de President onderdaan is van een van de Verdragsluitende Partijen of indien hij om andere redenen verhinderd is, verricht zijn vervanger de benoemingen. Indien ook de vervanger onderdaan is van een van de Verdragsluitende Partijen, of eveneens verhinderd is, verricht diens vervanger de benoemingen. 4. Het scheidsgerecht beslist met meerderheid van stemmen op grond van bestaande verdragen en het volkenrecht. Zijn beslissingen zijn bindend en worden door de Verdragsluitende Partijen geëerbiedigd. Elke Verdragsluitende Partij draagt de kosten van de door haar benoemde scheidsman alsmede van haar vertegenwoordiging in de procedure voor het scheidsgerecht; de kosten van de voorzitter alsmede de overige kosten worden door de Verdragsluitende Partijen gelijkelijk gedragen. Voor het overige stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

Rechtspraak bij dit artikel