Naar hoofdinhoud
1. De Staten werken rechtstreeks of in het kader van subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer samen om ervoor te zorgen dat in dat kader vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden worden nageleefd en in rechte worden gehandhaafd. 2. De Vlaggestaten die een onderzoek uitvoeren met betrekking tot een beweerde overtreding van instandhoudings- en beheersmaatregelen voor grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden mogen assistentie vragen van andere Staten waarvan de medewerking dienstig kan zijn voor dat onderzoek. De Staten streven ernaar om aan redelijke verzoeken van de Vlaggestaten in verband met dergelijke onderzoeken te voldoen. 3. Zo'n onderzoek mag door de Vlaggestaten rechtstreeks, in samenwerking met andere belanghebbende Staten of in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband, worden uitgevoerd. Aan alle Staten die belang hebben bij of nadeel ondervinden van een beweerde overtreding, wordt informatie verstrekt over de voortgang en het resultaat van het onderzoek. 4. De Staten assisteren elkaar voor het identificeren van de vaartuigen waarvan activiteiten zijn gemeld die de efficiëntie aantasten van instandhoudings- en beheersmaatregelen die in subregionaal, regionaal of mondiaal verband zijn vastgesteld. 5. De Staten treffen, voor zover volgens nationale wet- of regelgeving toegestaan, regelingen om bewijsmateriaal met betrekking tot beweerde overtredingen van instandhoudings- en beheersmaatregelen beschikbaar te stellen aan de vervolgende autoriteiten van andere Staten. 6. Wanneer er acceptabele redenen zijn om aan te nemen dat een vaartuig dat zich op de volle zee bevindt, zonder toestemming in een gebied onder jurisdictie van een Kuststaat heeft gevist, wordt, op verzoek van de betrokken kuststaat, zulks door de vlaggestaat van dat vaartuig onmiddellijk grondig onderzocht. De Vlaggestaat werkt in dergelijke gevallen met de Kuststaat samen om te komen tot adequate rechtshandhavingsmaatregelen en kan de betrokken autoriteiten van de Kuststaat toestaan het vaartuig op de volle zee aan te houden en te inspecteren. Het bepaalde in dit lid laat onverlet het bepaalde in artikel 111 van het Zeerechtverdrag. 7. De Staten die lid zijn van of partij zijn bij een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband mogen, overeenkomstig het internationale recht, waaronder de daartoe in subregionaal of regionaal verband vastgestelde procedures, totdat de Vlaggestaat passende maatregelen treft, maatregelen nemen om vaartuigen waarvan de activiteiten de efficiëncy van de in het kader van die organisatie of dat akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen aantasten of op enige andere wijze een overtreding daarvan inhouden, ervan te weerhouden om in de volle zee in de subregio of regio te vissen.

Rechtspraak bij dit artikel