Naar hoofdinhoud
1. De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst en tevens lid zijn van of partij zijn bij een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal verband, mogen in alle gebieden van de volle zee die daaronder vallen hun naar behoren gemachtigde inspecteurs, overeenkomstig lid 2, vissersvaartuigen die de vlag voeren van een andere Staat die partij is bij deze Overeenkomst, laten aanhouden en laten inspecteren, ongeacht of zo'n Staat ook lid is van de betrokken organisatie of partij is bij het betrokken akkoord, teneinde ervoor te zorgen dat de in het kader van die organisatie of dat akkoord vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen voor de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden worden nageleefd. 2. De Staten stellen in het kader van de subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer procedures vast voor het aanhouden en de inspectie op grond van lid 1, alsmede voor de toepassing van de andere bepalingen van dit artikel. Deze procedures dienen in overeenstemming te zijn met dit artikel en de basisprocedures van artikel 22 en mogen geen discriminatie inhouden ten opzichte van niet-leden van de organisatie of niet-partijen bij het akkoord voor het visserijbeheer. De aanhouding en de inspectie, alsmede eventuele volgende rechtshandhavingsmaatregelen worden uitgevoerd volgens die procedures. De Staten geven passende bekendheid aan de krachtens het bepaalde in dit lid vastgestelde procedures. 3. Als het niet mogelijk is om binnen twee jaar na aanvaarding van deze Overeenkomst bedoelde procedures in het kader van een organisatie of een akkoord vast te stellen, gelden voor de aanhouding en de inspectie op grond van lid 1, alsmede voor eventuele volgende rechtshandhavingsmaatregelen, in afwachting van de vaststelling van dergelijke procedures, de bepalingen van dit artikel en de in artikel 22 vastgestelde basisprocedures. 4. De inspecterende Staten stellen, voordat zij acties ondernemen op grond van dit artikel, alle Staten waarvan vaartuigen op de volle zee in de betrokken subregio of regio vissen, rechtstreeks of in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband op de hoogte van het identificatiedocument dat zij aan hun naar behoren gemachtigde inspecteurs verstrekken. De vaartuigen die worden gebruikt voor de aanhouding en de inspectie moeten voorzien zijn van duidelijke kentekens en herkend kunnen worden als vaartuigen in overheidsdienst. Bij toetreding tot deze Overeenkomst wijzen de Staten een adequate autoriteit aan voor melding van kennisgevingen op grond van dit artikel en geven zij daaraan passende bekendheid in het kader van de betrokken subregionale of regionale organisaties of akkoorden voor visserijbeheer. 5. Wanneer er, na de aanhouding en de inspectie, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een vaartuig in strijd heeft gehandeld met de in lid 1 bedoelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, dient de inspecterende Staat, zo nodig, het bewijsmateriaal veilig te stellen en de Vlaggestaat onverwijld in kennis te stellen van de beweerde overtreding. 6. Na ontvangst van een kennisgeving als bedoeld in lid 5 reageert de Vlaggestaat binnen drie dagen of binnen de reactietermijn die is bepaald in de overeenkomstig lid 2 vastgestelde procedures en komt hij, onverwijld, zijn verplichtingen op grond van artikel 19 na om een onderzoek uit te voeren en, als de bewijzen daar aanleiding toe geven, rechtshandhavingsmaatregelen ten aanzien van het vaartuig te nemen, in welk geval hij de inspecterende Staat onverwijld in kennis stelt van de resultaten van het onderzoek en van de rechtshandhavingsmaatregelen die zijn genomen, of geeft hij de inspecterende Staat toestemming om een onderzoek uit te voeren. 7. Wanneer de Vlaggestaat de inspecterende Staat toestemming geeft om onderzoek uit te voeren met betrekking tot een beweerde overtreding, deelt de inspecterende Staat de resultaten van dat onderzoek onverwijld aan de Vlaggestaat mee. De Vlaggestaat komt, als de bewijzen daar aanleiding toe geven, zijn verplichtingen na om rechtshandhavingsmaatregelen ten aanzien van het vaartuig te nemen. De Vlaggestaat mag echter ook de inspecterende Staat toestemming geven om ten aanzien van het vaartuig de rechtshandhavingsmaatregelen te treffen die de Vlaggestaat mag aangeven in overeenstemming met zijn rechten en verplichtingen op grond van deze Overeenkomst. 8. Wanneer er, na aanhouding en inspectie, gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een vaartuig een ernstige overtreding heeft begaan en de vlaggestaat niet heeft gereageerd of niet de op grond van lid 6 of lid 7 voorgeschreven maatregelen heeft genomen, mogen de inspecteurs aan boord blijven en het bewijsmateriaal veilig stellen en de kapitein om assistentie vragen voor verder onderzoek, wat, zo nodig, ook kan inhouden dat het vaartuig onverwijld naar de dichtstbijgelegen geschikte haven of een andere in de overeenkomstig lid 2 vastgestelde procedures bepaalde haven wordt gebracht. De inspecterende Staat stelt de Vlaggestaat onmiddellijk in kennis van de haven waarnaar het vaartuig zich dient te begeven. De inspecterende Staat en de Vlaggestaat en, zo nodig, de havenstaat nemen alle nodige maatregelen voor het welzijn van de leden van de bemanning, ongeacht hun nationaliteit. 9. De inspecterende Staat informeert de Vlaggestaat en de betrokken organisatie of de partijen bij het betrokken akkoord over de uitkomsten van eventueel verder onderzoek. 10. De inspecterende Staat geeft zijn inspecteurs opdracht om zich te houden aan algemeen aanvaarde internationale regels, procedures en praktijken voor de veiligheid van vaartuig en bemanning, om het vissen zo min mogelijk te verstoren en om, voor zover mogelijk, maatregelen die de kwaliteit van de vangst aan boord aantasten, te vermijden. De inspecterende Staat zorgt ervoor dat de aanhouding en de inspectie van vissersvaartuigen niet worden uitgevoerd op een wijze die als lastigvallen wordt ervaren. 11. In dit artikel wordt onder ernstige overtreding verstaan: het vissen zonder een geldige door de Vlaggestaat overeenkomstig artikel 18, lid 3, onder a, afgegeven vergunning; nalatigheid wat betreft nauwkeurige registratie van de vangsten en de daarmee verband houdende gegevens zoals voorgeschreven is in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband, of een aanzienlijk te lage registratie van de vangst in strijd met de vangstregistratiebepalingen in het kader van zo'n organisatie of zo'n akkoord; het vissen in een gesloten gebied, tijdens een gesloten seizoen of zonder een quotum, of nadat het quotum is bereikt dat in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband is vastgesteld; gerichte visserij op een visbestand waarvoor een moratorium op de visserij of een visserijverbod is vastgesteld; het gebruik van verboden vistuig; het vervalsen of aan het zicht onttrekken van kentekens, identificatietekens of registratieletters en -nummers van het vissersvaartuig; het verbergen, het beschadigen of het laden verdwijnen van bewijsmateriaal met betrekking tot een onderzoek; meerdere overtredingen die samen neerkomen op ernstige veronachtzaming van de instandhoudings- en beheersmaatregelen, en andere overtredingen die als zodanig zijn aangeduid in de procedures die zijn vastgesteld in het kader van de betrokken subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer. 12. Ongeacht de overige bepalingen van dit artikel mag de vlaggestaat op elk ogenblik maatregelen nemen om met betrekking tot een beweerde overtreding zijn verplichtingen op grond van artikel 19 na te komen. Wanneer het vaartuig zich onder het gezag van de inspecterende Staat bevindt, wordt, op verzoek van de vlaggestaat, dat vaartuig door de inspecterende Staat vrijgegeven aan de vlaggestaat met gelijktijdige verstrekking van volledige informatie over de stand en de uitkomsten van het uitgevoerde onderzoek. 13. Dit artikel laat onverlet het recht van de vlaggestaat om maatregelen te nemen overeenkomstig zijn wetten, inclusief vervolging met het oog op sancties. 14. Dit artikel is mutatis mutandis van toepassing op aanhouding en inspectie door een Staat die partij is bij deze Overeenkomst en die tevens lid is van of partij is bij een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband en die gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een vissersvaartuig dat de vlag voert van een andere Staat die partij is bij deze Overeenkomst, in het gebied van de volle zee dat onder deze organisatie of dat akkoord valt in strijd heeft gehandeld met in lid 1 bedoelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, wanneer dat vaartuig vervolgens tijdens dezelfde visreis een gebied onder de nationale jurisdictie van de inspecterende Staat is binnengevaren. 15. Wanneer in het kader van een organisatie of een akkoord voor visserijbeheer in subregionaal of regionaal verband een andere structuur is opgezet die namens de leden of partijen effectief uitvoering geeft aan hun op grond van deze Overeenkomst geldende verplichting om te zorgen voor naleving van de in het kader van de betrokken organisatie of het betrokken akkoord voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, kunnen leden van zo'n organisatie of partijen bij zo'n akkoord overeenkomen om, wat betreft de instandhoudings- en beheersmaatregelen die zij hebben vastgesteld voor het relevante gebied van de volle zee, het bepaalde in artikel 1 slechts ten opzichte van elkaar toe te passen. 16. Het optreden van andere Staten dan de vlaggestaat ten opzichte van vaartuigen die in strijd hebben gehandeld met de in het kader van subregionale of regionale organisaties en akkoorden voor visserijbeheer vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen, dient evenredig te zijn met de ernst van de overtreding. 17. Wanneer er acceptabele redenen zijn om aan te nemen dat een vissersvaartuig op de volle zee statenloos is, mag een Staat dat vaartuig aanhouden en het inspecteren. Als de bewijzen daar aanleiding toe geven, mag die Staat overeenkomstig het internationale recht passende maatregelen nemen. 18. De Staten zijn aansprakelijk voor schade of verliezen als gevolg van optreden op grond van dit artikel, wanneer dat optreden onwettig is of verder gaat dan, gezien de beschikbare informatie, redelijkerwijs nodig is voor toepassing van de bepalingen van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel