Naar hoofdinhoud
1. Ter bescherming van de levende rijkdommen van de zee en voor het behoud van het mariene milieu volgen de Staten voor de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden op ruime schaal de preventieve aanpak. 2. De Staten zijn extra voorzichtig wanneer de informatie twijfelachtig, onbetrouwbaar of niet adequaat is. Het ontbreken van adequate informatie is geen reden om instandhoudings- en beheersmaatregelen uit te stellen of achterwege te laten. 3. Bij het uitvoeren van de preventieve aanpak dienen de Staten de besluitvorming voor maatregelen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden te verbeteren door zich de beste beschikbare wetenschappelijke informatie te verschaffen en die informatie met elkaar te delen, en door verbeterde technieken toe te passen om risico's en onzekerheden te ondervangen; de in bijlage II vastgestelde richtlijnen toe te passen en, aan de hand van de beste beschikbare wetenschappelijke informatie, bestandspecifieke referentiewaarden te bepalen en de maatregelen vast te stellen voor het geval die waarden worden overschreden; onder andere rekening te houden met onzekerheden over de grootte en de produktiviteit van de bestanden, de referentiewaarden, de situatie van een bestand ten opzichte van die referentiewaarden, het niveau en de spreiding van de visserijmortaliteit en het effect van de visserijactiviteit op niet-doelsoorten en verwante of afhankelijke soorten, en voorts met de toestand van de oceaan en het milieu, met de sociaal-economische situatie, alsmede met de voorspellingen dienaangaande; het verzamelen van gegevens te ontwikkelen en onderzoekprogramma's op te stellen om te evalueren welk effect de visserij heeft op niet-doelsoorten en verwante of afhankelijke soorten, alsmede op hun milieu, en plannen vast te stellen voor het behoud van dergelijke soorten en voor de bescherming van ernstig bedreigde habitats. 4. De Staten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer de referentiewaarden bijna zijn bereikt, die waarden niet worden overschreden. Wanneer dat toch het geval is, nemen de Staten onverwijld de in lid 3, onder b, bedoelde maatregelen voor het herstel van de visbestanden. 5. Als de situatie van bestanden van doelsoorten of niet-doelsoorten of verwante of afhankelijke soorten reden geeft tot bezorgdheid, zorgen de Staten voor verscherpte monitoring op dergelijke bestanden en soorten met het oog op evaluatie van de situatie daarvan, alsmede van de doeltreffendheid van de instandhoudings- en beheersmaatregelen. Laatstbedoelde maatregelen worden regelmatig aangepast in het licht van nieuwe informatie. 6. Voor nieuwe visserijtakken of voor verkennende visserij stellen de Staten zo spoedig mogelijk preventieve instandhoudings- en beheersmaatregelen vast, waaronder vangst- en visserij-inspanningsbeperkingen. Dergelijke maatregelen blijven van kracht tot er voldoende gegevens zijn voor evaluatie van het effect van de visserij op de duurzaamheid op lange termijn van de betrokken bestanden; vervolgens worden instandhoudings- en beheersmaatregelen toegepast die op grond van die evaluatie zijn vastgesteld. Deze maatregelen voorzien zo nodig in een geleidelijke ontwikkeling van de visserij. 7. Bij een natuurverschijnsel met aanzienlijke negatieve effecten op de situatie van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden nemen de Staten op korte termijn instandhoudings- en beheersmaatregelen om ervoor te zorgen dat die negatieve effecten niet door de visserij worden verergerd. Dergelijke spoedmaatregelen worden door de Staten ook vastgesteld wanneer de visserij een ernstige bedreiging vormt voor de duurzaamheid van genoemde visbestanden. Spoedmaatregelen zijn tijdelijk en worden gebaseerd op de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens.

Rechtspraak bij dit artikel