Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Intrekking of opschorting van de vergunning

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Guinee inzake luchtvervoer· Arbitrage

Deze tekst geldt sinds 15 juni 1992

1. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht de exploitatievergunningen bedoeld in het eerste lid van artikel 2 niet te verlenen, wanneer bedoelde Overeenkomstsluitende Partij er niet van overtuigd is dat een overwegend deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die maatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de maatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen van deze Overeenkomstsluitende Partij. 2. Elke Overeenkomstsluitende Partij heeft het recht een exploitatievergunning in te trekken of de uitoefening van de rechten, omschreven in artikel 2 van deze Overeenkomst, door de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op te schorten, wanneer: zij er niet van overtuigd is dat een overwegend deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die maatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de maatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen van deze Overeenkomstsluitende Partij, of deze maatschappij zich niet heeft gehouden aan de wetten en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij die deze rechten heeft verleend, of deze maatschappij de voorwaarden omschreven in deze Overeenkomst niet in acht neemt. 3. Tenzij het intrekken of het opschorten noodzakelijk is om nieuwe inbreuken op bedoelde wetten en voorschriften te voorkomen, kan een zodanig recht niet worden uitgeoefend dan na het in artikel 8 bedoelde overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij. Indien dit overleg geen resultaat heeft, wordt overgegaan tot arbitrage overeenkomstig artikel 9.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel