Naar hoofdinhoud
1. Alle in artikel 3 omschreven regelingen voor het aanhouden van voorraden dienen te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van Nederland en verzoeken hiertoe dienen te worden ingediend in overeenstemming met de in dit artikel vastgelegde procedure. 2. De bevoegde autoriteit van Nieuw-Zeeland stelt de bevoegde autoriteit van Nederland in kennis van de uit hoofde van artikel 3 vastgestelde regelingen. Deze kennisgeving wordt gedaan ten minste een maand voor aanvang van de periode waarin de regelingen van kracht zullen zijn en dient de volgende informatie te bevatten: de naam en het adres van de in Nederland gevestigde entiteit waar de voorraden zullen worden aangehouden, en de naam en het adres van de in Nieuw-Zeeland gevestigde entiteit waar de voorraden zullen worden aangehouden of namens welke de voorraden zullen worden aangehouden; het soort en de hoeveelheid voorraden die zullen worden aangehouden; de termijn gedurende welke de voorraden zullen worden aangehouden; de locatie, indien bekend, van de opslagruimte(n) waar de voorraden zullen worden aangehouden. 3. De bevoegde autoriteit van Nederland stelt uiterlijk 5 (vijf) werkdagen voor aanvang van de periode waarvoor om goedkeuring wordt verzocht de bevoegde autoriteit van Nieuw-Zeeland ervan in kennis of zij de gewenste regelingen al dan niet goedkeurt. 4. Indien er wezenlijke veranderingen zijn opgetreden ten opzichte van de informatie die in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel is verstrekt, stelt de bevoegde autoriteit van Nieuw-Zeeland de bevoegde autoriteit van Nederland daarvan in kennis. 5. Goedkeuring van een verzoek kan door de bevoegde autoriteit van Nederland worden ingetrokken indien er een wezenlijke onjuistheid wordt geconstateerd in de gegevens die met betrekking tot die goedkeuring zijn verstrekt uit hoofde van het tweede lid van dit artikel. Alvorens een goedkeuring in te trekken uit hoofde van deze bepaling stelt de bevoegde autoriteit van Nederland de bevoegde autoriteit van Nieuw-Zeeland hiervan in kennis en biedt zij de entiteit met de voorraadverplichting die de gegevens heeft verstrekt in redelijke mate de gelegenheid bezwaar te maken. 6. Onverminderd de in artikel 5, tweede en derde lid, vermelde termijnen, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien bijzondere omstandigheden daartoe noodzaken, onderling besluiten een of alle termijnen te wijzigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel