**1.** Wanneer een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag een verzoek tot strafvervolging heeft gericht tot een andere Verdragsluitende Staat, kan de aangezochte Staat, zodra het verzoek en het strafdossier zijn ontvangen en totdat aan de verzoekende Staat kennis is gegeven van de beslissing op dat verzoek, overgaan tot onmiddellijke inbeslagneming van bepaalde voorwerpen, mits de wetgeving van de aangezochte Staat de inbeslagneming toelaat in een geval als dat waarin het verzoek tot strafvervolging is gedaan.
**2.** Wanneer een Verdragsluitende Staat aan een andere Verdragsluitende Staat heeft aangekondigd een verzoek tot strafvervolging tot hem te zullen richten, kan die andere Staat in dringende gevallen op verzoek van de eerstbedoelde Staat overgaan tot inbeslagneming van bepaalde voorwerpen op de in het vorige lid bedoelde voorwaarden. Laatstbedoeld verzoek dient gegevens te behelzen aangaande aard, tijd en plaats van het feit waarvoor strafvervolging zal worden verzocht, alsmede een beknopte beschrijving van de verdere omstandigheden van de zaak.
**3.** De inbeslagneming ingevolge de voorgaande leden geschiedt overeenkomstig de wet van de aangezochte Staat en die wet bepaalt in welke gevallen het beslag kan worden opgeheven.
**4.** Een beslag, uitsluitend gegrond op het tweede lid, eindigt, indien de aangezochte Staat binnen 18 dagen na het beslag niet in het bezit is gekomen van het verzoek tot strafvervolging en van de stukken bedoeld in artikel 7.
HOOFDSTUK III
Artikel 14
Artikel 14
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen· Strafrecht