Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK VI

Artikel 16

Algemene bepalingen

Onderdeel van Overeenkomst tot instelling van het Gemeenschappelijk Fonds voor Grondstoffen· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 19 juni 1989

1. De middelen en faciliteiten van het Fonds worden uitsluitend gebruikt ter verwezenlijking van zijn doelstellingen en ter vervulling van zijn taken. 2. Het Fonds stelt twee afzonderlijke rekeningen in, waarin het zijn middelen aanhoudt: een Eerste Rekening, waarvoor de middelen worden verstrekt als in artikel 17, eerste lid is bepaald, ten einde bij te dragen in de financiering van grondstoffenvoorraden; en een Tweede Rekening, waarvoor de middelen worden verstrekt als in artikel 18, eerste lid is bepaald, ter financiering van maatregelen op het gebied van grondstoffen die niet betrekking hebben op voorraadvorming, een en ander zonder de integrale eenheid van het Fonds in gevaarte brengen. Deze scheiding van rekeningen komt in de financiële stukken van het Fonds tot uitdrukking. 3. De middelen van elke rekening worden volledig gescheiden gehouden, gebruikt, toegewezen, belegd of anderszins aangewend van de middelen van de andere rekening. De middelen van de ene rekening mogen niet belast worden met de verliezen of gebruikt worden tot betaling van verplichtingen voortvloeiende uit de werkzaamheden of andere activiteiten van de andere rekening. 4. De Raad van Bestuur stelt een Speciale Reserve in, die na aftrek van de administratiekosten wordt gevormd uit de netto-opbrengsten van de Eerste Rekening, tot een bedrag van ten hoogste 10% van het aan de Eerste Rekening toegewezen rechtstreeks bijgedragen kapitaal ten einde te kunnen voldoen aan verplichtingen voortvloeiend uit leningen van de Eerste Rekening als in artikel 17, twaalfde lid is bepaald. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede en derde lid van dit artikel beslist de Raad van Bestuur met een versterkt gekwalificeerde meerderheid op welke wijze zal worden beschikt over de netto-opbrengsten die niet aan de Speciale Reserve zijn toegewezen. 5. Naast de elders in deze Overeenkomst uiteengezette bevoegdheden kan het Fonds in het raam van zijn werkzaamheden de volgende bevoegdheden uitoefenen, die onderworpen aan en in overeenstemming dienen te zijn met de algemene beginselen van bedrijfsvoering en met de voorwaarden van deze Overeenkomst: leningen plaatsen bij Leden, internationale financiële instellingen en, in verband met werkzaamheden van de Eerste Rekening, op kapitaalmarkten, overeenkomstig het recht van het land waar de lening wordt geplaatst en onder voorwaarde dat het Fonds daarvoor de goedkeuring zal hebben verkregen van dit land en van enig land in welke valuta de lening zal worden verstrekt; te allen tijde gelden die het Fonds niet nodig heeft voor zijn werkzaamheden, beleggen in waardepapieren zoals door het Fonds te bepalen, overeenkomstig het recht van het land waar de belegging wordt gedaan; de andere bevoegdheden uitoefenen die noodzakelijk zijn ter bevordering van de doelstellingen en taken van het Fonds en ter uitvoering van de bepalingen van deze Overeenkomst. 6. Het Fonds verricht zijn werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst en de regels en voorschriften die door de Raad van Bestuur ingevolge artikel 20, zesde lid kunnen worden aangenomen. 7. Het Fonds treft regelingen om te verzekeren dat de leningen of schenkingen die geheel of gedeeltelijk door het Fonds zijn verstrekt, alleen worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor de lening of schenking werd verstrekt. 8. Elk door het Fonds uitgegeven waardepapier is op de voorzijde voorzien van een duidelijke verklaring dat dit waardepapier geen verplichting van de kant van een Lid betreft, tenzij zulks uitdrukkelijk op het waardepapier anders is vermeld. 9. Het Fonds ziet erop toe dat zijn beleggingen te allen tijde behoorlijk gespreid zijn. 10. De Raad van Bestuur neemt passende regels en voorschriften aan voor de aankoop van goederen en diensten uit zijn middelen. Deze regels en voorschriften stemmen in principe overeen met de beginselen van internationale offertes van leveranciers die gevestigd zijn binnen de grondgebieden van de Leden, en geven daarbij zo mogelijk de voorkeur aan deskundigen, technici en leveranciers uit ontwikkelingslanden, die Leden van het Fonds zijn. 11. Het Fonds knoopt nauwe arbeidsbetrekkingen met internationale en regionale financiële instellingen aan en kan, voor zover mogelijk, zodanige betrekkingen aanknopen met nationale publiek- of privaatrechtelijke lichamen van Leden, die zich bezighouden met het investeren van ontwikkelingsgelden in ontwikkelingsprojecten op het gebied van grondstoffen. Het Fonds kan met deze instellingen samenwerken op het gebied van medefinanciering. 12. In het kader van zijn werkzaamheden en op het terrein van zijn bevoegdheden werkt het Fonds samen met internationale grondstoffenorganen en geassocieerde internationale grondstoffenorganisaties bij de bescherming van de belangen van importerende ontwikkelingslanden, indien deze landen nadeel ondervinden van ingevolge het geïntegreerde grondstoffenprogramma getroffen maatregelen. 13. Het Fonds verricht zijn werkzaamheden op oordeelkundige wijze, neemt maatregelen die het noodzakelijk acht ter instandhouding en bescherming van zijn middelen en houdt zich niet bezig met valutaspeculatie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel