**(1).** Indien een Staat ophoudt deelnemer te zijn, heeft hij geen rechten krachtens deze Overeenkomst met uitzondering van die vervat in dit artikel en in artikel 53, maar hij blijft voor zover in dit artikel niet anders wordt bepaald, aansprakelijk voor alle door hem tegenover het Fonds als deelnemer, debiteur, garant of anderszins aangegane financiële verplichtingen.
**(2).** Indien een Staat ophoudt deelnemer te zijn gaan het Fonds en de Staat over tot regeling van hun verplichtingen. Als onderdeel hiervan kunnen het Fonds en de Staat een overeenkomst treffen inzake de aan de Staat te betalen bedragen ter zake van zijn bijdrage en inzake het tijdstip waarop en de valuta’s waarin de betaling zal geschieden. Voor de toepassing van dit artikel en artikel 40 wordt met betrekking tot een deelnemer de term „bijdrage” geacht zowel de aanvangsbijdrage als de verdere bijdragen van die deelnemer te omvatten.
**(3).** In afwachting van een zodanige regeling en in elk geval indien binnen zes maanden na de datum waarop de Staat ophoudt deelnemer te zijn of op een ander door het Fonds en de Staat overeen te komen tijdstip geen regeling tot stand is gekomen, gelden de volgende bepalingen:
De Staat wordt ontslagen van alle verdere aansprakelijkheid tegenover het Fonds ter zake van zijn bijdrage, behalve dat de Staat verplicht is op de vervaldata aan het Fonds alle op de datum waarop hij ophield deelnemer te zijn nog onbetaalde bedragen te betalen, die het Fonds naar zijn oordeel nodig heeft om zijn op die datum bestaande, in het kader van zijn financieringswerkzaamheden gedane, toezeggingen gestand te kunnen doen.
Het Fonds betaalt aan de Staat de door deze laatste ter zake van zijn bijdrage betaalde gelden terug of de daaruit als terugbetaalde hoofdsommen voortgekomen gelden die zich in het bezit van het Fonds bevinden op de datum waarop de Staat ophoudt lid te zijn, voor zover het Fonds naar zijn oordeel deze gelden niet nodig heeft om zijn op die datum bestaande, in het kader van zijn financieringswerkzaamheden gedane, toezeggingen gestand te kunnen doen.
Het Fonds betaalt aan de Staat een evenredig deel van alle terugbetaalde hoofdsommen die door het Fonds ontvangen zijn na de datum waarop de Staat ophield deelnemer te zijn, uit hoofde van vóór die datum verstrekte leningen, met uitzondering van leningen verstrekt uit middelen die aan het Fonds verschaft zijn krachtens regelingen die bijzondere afwikkelingsrechten voorschrijven. Dit aandeel bedraagt een deel van de totale hoofdsom dezer leningen, dat bepaald wordt door de verhouding tussen het totale door de Staat ter zake van zijn bijdrage betaalde en aan hem niet ingevolge het bepaalde sub (ii) teruggestorte bedrag en het totale door alle deelnemers ter zake van hun bijdragen betaalde bedrag, dat door het Fonds gebruikt is of dat het Fonds naar zijn oordeel nodig heeft om zijn op de datum waarop de Staat ophield deelnemer te zijn bestaande, in het kader van zijn fmancieringswerkzaamheden gedane, toezeggingen gestand te kunnen doen. Deze betaling door het Fonds geschiedt in termijnen naarmate de terugbetaalde hoofdsommen door het Fonds ontvangen worden doch niet meer dan een keer per jaar. Deze termijnen worden betaald in de door het Fonds ontvangen valuta’s, maar het Fonds kan naar verkiezing in de valuta van de betrokken Staal betalen.
Een bedrag dat aan een Staat ter zake van zijn bijdrage is verschuldigd, kan ingehouden worden zolang die Staat, of enig onderdeel of enige organisatie van een hunner als debiteur of garant jegens het Fonds aansprakelijk blijft, en dit bedrag kan naar verkiezing van het Fonds verrekend worden met een dergelijke verplichting wanneer deze opeisbaar wordt.
In geen geval is een Staat krachtens dit lid gerechtigd in totaal meer te ontvangen dan het kleinste van de twee volgende bedragen:
het bedrag door de Staat ter zake van zijn bijdrage betaald, of
een deel van het volgens de boeken van het Fonds berekende zuivere vermogen van het Fonds op de dag waarop de Staat ophield deelnemer te zijn, te bepalen door de verhouding tussen de bijdrage van de Staat en het totale bedrag van de bijdragen van alle deelnemers.
Alle krachtens dit lid te maken berekeningen geschieden op een door het Fonds naar redelijkheid te bepalen grondslag.
**(4).** In geen geval wordt enig aan een Staat krachtens dit artikel verschuldigd bedrag eerder uitbetaald dan zes maanden na de datum waarop hij ophield deelnemer te zijn. Indien het Fonds binnen zes maanden na de datum waarop een Staat ophoudt deelnemer te zijn in het Fonds, zijn werkzaamheden overeenkomstig artikel 40 beëindigt, worden alle rechten van die Staat door artikel 40 bepaald en wordt hij voor de toepassing van artikel 40 als deelnemer in het Fonds beschouwd, met dien verstande dat hij geen stemrecht heeft.
HOOFDSTUK VII
Artikel 39
Rechten en verplichtingen van Staten die ophouden deelnemer te zijn
Onderdeel van Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds· Arbitrage
Deze tekst geldt sinds 30 juni 1973