Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Paraguay inzake geregeld luchtvervoer· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 13 december 1974

1. Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht aan de andere Overeenkomstsluitende Partij schriftelijk mededeling te doen van de aanwijzing van een of meer luchtvaartmaatschappijen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de omschreven routes. 2. Na ontvangst van deze aanwijzing verleent de andere Overeenkomstsluitende Partij, overeenkomstig het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel, zonder uitstel de vergunning voor de desbetreffende exploitatie aan de aangewezen luchtvaartmaatschappij of -maatschappijen. 3. De luchtvaartautoriteiten van ieder der Overeenkomstsluitende Partijen kunnen eisen dat de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij aantoont dat deze in staat is te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld door de wetten en voorschriften welke die autoriteiten gewoonlijk en redelijkerwijze toepassen ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten overeenkomstig het Verdrag. 4. Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht de in het tweede lid van dit artikel vermelde exploitatievergunning niet te verlenen, of de door haar noodzakelijk geachte voorwaarden op te leggen met betrekking tot de uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechten door de aangewezen luchtvaartmaatschappij, wanneer niet ten genoegen van die Overeenkomstsluitende Partij is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij aanwijst, of bij haar onderdanen. 5. Wanneer een luchtvaartmaatschappij aldus is aangewezen en de vergunningen heeft verkregen, kan zij op elk tijdstip een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits ten aanzien van die diensten een tarief overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 van de Overeenkomst van kracht is. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst wordt verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst, met Bijlage, wordt verwezen naar luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit worden begrepen als een verwijzing naar de door het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen luchtvervoerders of luchtvaartmaatschappijen (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 voorrang op de overeenkomstige bepalingen van dit artikel (Trb. 2019/68).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel