**1.** Ieder der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht een exploitatie vergunning in te trekken of de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven rechten door de door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij op te schorten, of de uitoefening van deze rechten aan door haar noodzakelijk geachte voorwaarden te onderwerpen wanneer:
niet te haren genoegen is aangetoond dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berust bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij haar onderdanen, of
die luchtvaartmaatschappij de wetten en voorschriften van de Overeenkomstsluitende Partij die de rechten verleent niet nakomt, of
die luchtvaartmaatschappij de overeengekomen diensten niet exploiteert volgens de door deze Overeenkomst gestelde vooraarden.
**2.** Tenzij intrekking, opschorting of onmiddellijke oplegging van de voorwaarden als omschreven in het eerste lid van dit artikel noodzakelijk zijn om hernieuwde inbreuken op de wetten of voorschriften te voorkomen, wordt een zodanig recht slechts uitgeoefend na overleg met de andere Overeenkomstsluitende Partij.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 22
februari 2007 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst wordt
verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit
worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten
van de Europese Unie (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 22
februari 2007 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met
vijfde lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 voorrang op de
overeenkomstige bepalingen van dit artikel.
Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Overeenkomst van 22
februari 2007 zal, wanneer in de bilaterale Overeenkomst wordt
verwezen naar onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden, dit
worden begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten
van de Europese Unie (Trb. 2019/68). Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Overeenkomst van 22
februari 2007 hebben de bepalingen van artikel 2, tweede tot en met
vijfde lid, van de Overeenkomst van 22 februari 2007 voorrang op de
overeenkomstige bepalingen van dit artikel.