Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II › Titel

Artikel 10

Voorrangstekens

Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 8 november 2008

1. De tekens om weggebruikers van de bijzondere voorrangsregels bij kruisingen in kennis te stellen zijn tekens B,1, B,2, B,3 en B,4. De tekens om aan weggebruikers een voorrangsregeling op smalle weggedeelten kenbaar te maken zijn de tekens B,5 en B,6. Deze tekens zijn beschreven in Bijlage 1, Deel B, bij dit Verdrag. 2. Teken B,1 VOORRANG VERLENEN wordt gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat zij, op de kruising waar dit teken is geplaatst, voorrang moeten verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen. 3. Teken B.2. STOP wordt gebruikt om aan bestuurders kenbaar te maken dat zij, bij de kruising waar het teken is geplaatst, dienen te stoppen alvorens zich op die kruising te begeven en dat zij voorrang dienen te verlenen aan voertuigen op de weg die zij naderen. Overeenkomstig artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, dient elke Staat de Secretaris-Generaal ervan in kennis te stellen of hij B,2a of B,2b als model voor het STOP-teken heeft gekozen. 4. Teken B,1 of B,2 mag op een andere plaats dan bij een kruising worden geplaatst, indien het bevoegde gezag dit noodzakelijk acht. 5. Tekens B,1 en B,2 dienen vlak voor kruisingen te worden geplaatst, indien mogelijk op één lijn met het punt waar voertuigen dienen te stoppen of waar zij niet voorbij mogen rijden wanneer zij voorrang moeten verlenen. 6. Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B,1, wordt het zelfde teken gebruikt, voorzien van een onderbord H,1, zoals omschreven in Bijlage 1, Deel H, bij dit Verdrag. Voor het geven van een vóórwaarschuwingsteken voor teken B,2, wordt teken B,1 gebruikt, voorzien van een onderbord met het ,STOP’-symbool en een getal dat de afstand tot teken B,2 aangeeft. 7. Teken B,3 VOORRANGSWEG dient te worden gebruikt om aan gebruikers van een weg kenbaar te maken dat, op kruisingen van deze weg met andere wegen, de bestuurders van voertuigen die op die andere wegen rijden of er vandaan komen, voorrang moeten verlenen aan de voertuigen die op deze weg rijden. Dit teken kan aan het begin van de weg worden geplaatst en na elke kruising worden herhaald; het kan ook vóór of bij de kruising worden geplaatst. Wanneer teken B,3 op een weg is geplaatst, dient teken B,4 EINDE VOORRANGSWEG te worden geplaatst bij het naderen van het punt waar de voorrangsweg ophoudt voorrang boven andere wegen te hebben. Teken B,4 kan enige malen worden herhaald vóór het punt waar de voorrang eindigt; het teken of de tekens die voor dit punt zijn geplaatst, worden dan voorzien van een onderbord H,1, weergegeven in Bijlage 1, Deel H. 8. Indien op een weg voor een kruising wordt gewaarschuwd door middel van een gevaarsteken dat een van de symbolen A,19 bevat, of indien de weg bij die kruising een voorrangsweg is en als zodanig is aangeduid door tekens B,3 zoals bedoeld in het zevende lid van dit artikel, dient op alle andere wegen bij die kruising een teken B,1 of B,2 te worden geplaatst; het plaatsen van tekens B,1 of B,2 is echter niet verplicht op wegen zoals paden of niet-verharde wegen, waar bestuurders bij kruisingen ook voorrang dienen te verlenen wanneer een dergelijk teken ontbreekt. Een teken B,2 dient uitsluitend te worden geplaatst indien het bevoegde gezag het raadzaam acht van bestuurders te eisen dat zij stoppen, met name uit hoofde van slecht zicht voor bestuurders op de weggedeelten aan beide zijden van de kruising die zij naderen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel