Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II › Titel

Artikel 9

Artikel 9

Onderdeel van Verdrag inzake verkeerstekens· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 8 november 2008

1. In Bijlage 1 bij dit Verdrag zijn in Deel A, Titel I, de modellen weergegeven voor gevaarstekens en in Deel A, Titel II, de symbolen die op deze borden dienen te worden aangebracht; Deel A, Titel II, geeft tevens enige aanwijzingen voor het gebruik. Overeenkomstig Artikel 46, tweede lid, van dit Verdrag, dient elke Staat de Secretaris-Generaal ervan in kennis te stellen of hij voor gevaarstekens Aa of Ab als model heeft gekozen. 2. Het aantal gevaarstekens dient niet onnodig te worden vergroot, maar dergelijke tekens dienen te worden geplaatst om voor mogelijke gevaren op de weg te waarschuwen daar, waar deze voor een bestuurder die met de nodige voorzichtigheid rijdt, moeilijk tijdig zijn waar te nemen. 3. Gevaarstekens dienen op zodanige afstand van het gevaarspunt te worden geplaatst, dat zij overdag en 's nachts zo doeltreffend mogelijk zijn, met inachtneming van de toestand van de weg en de verkeersomstandigheden, met name de normale snelheid van de voertuigen en de afstand waarop het teken zichtbaar is. 4. De afstand tussen het teken en het begin van een gevaarlijk weggedeelte kan kenbaar worden gemaakt op een onderbord H,1 van Bijlage 1, Deel H, bij dit Verdrag, geplaatst overeenkomstig de bepalingen van dat Deel; deze informatie dient te worden verschaft wanneer de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte niet door bestuurders kan worden beoordeeld en afwijkt van de afstand die zij gewoonlijk kunnen verwachten. 5. Gevaarstekens kunnen worden herhaald, met name op autosnelwegen en op wegen die als autosnelwegen worden behandeld. Wanneer zij worden herhaald, dient de afstand tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte te worden aangegeven overeenkomstig de bepalingen van het vierde lid van dit artikel. Ten aanzien van gevaarstekens die waarschuwen voor beweegbare bruggen en voor overwegen, staat het de Verdragsluitende Partijen echter vrij de volgende bepalingen toe te passen: Een rechthoekig bord met de langste zijde verticaal en voorzien van drie schuine rode banen op een wit of geel vlak, kan worden geplaatst onder gevaarstekens met een van de symbolen A,5, A,25, A,26 of A,27 beschreven in Bijlage 1, Deel A, Titel II, paragraaf 5, 25, 26 en 27 bij dit Verdrag, mits aanvullende tekens in de vorm van borden met dezelfde vorm met respectievelijk een of twee schuine rode banen op een wit of geel vlak zijn opgesteld op ongeveer eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken en de spoorlijn. Deze tekens mogen worden herhaald aan de tegenovergestelde zijde van de rijbaan. De in dit lid genoemde borden worden nader beschreven in Deel A, Titel II, paragraaf 29, van Bijlage 1 bij dit Verdrag. 6. Indien een gevaarsteken wordt gebruikt om te waarschuwen voor een gevaar op een weggedeelte van een bepaalde lengte (bijvoorbeeld voor een reeks gevaarlijke bochten of een deel van de rijbaan dat in slechte toestand verkeert), en indien het wenselijk is de lengte van dat gedeelte aan te geven, dient zulks te worden gedaan op een onderbord, overeenkomstig model 2 van Bijlage 7 bij dit Verdrag, dat dient zulks te worden gedaan op een onderbord H,2 van Bijlage 1, Deel H, bij dit Verdrag, dat dient te worden geplaatst in overeenstemming met de bepalingen van dat Deel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel